Skip to content
1883

Gedichten

J.A. Laet

De berg.

Schoon rijst gij op voor mijn oog, Beeldtnis van hoogmoed en trots, Die met uw reuzengevaart' Heuvlen en dalen bedreigt. - Schoon rijst gij op voor mijn oog, Berg, die uw spitsige kruin, Eeuwig met ijsschors bedekt, Eeuwig in zonneglans baadt.

Heimvol en somber als 't Woud Dat uwe heupen omvat,

Houdt ge in uw schoot, als het Meer, Tallooze schatten vergaard. Alles wat 't menschdom bekoort, Schonk u d'Algever zoo mild, Dat gij de vruchten van 't Zuid, Mengt met den rijkdom van 't Oost, Paart met de trotschheid van 't Noord.

't Kind en 't onnoozele lam Dartelen vrij aan uw voet. Daar ment de landman den ploeg, Prikkelt den traaggaanden os, Woekert getroost met zijn zweet. - God, die de druppelen telt, Zegent en loont ze gewis.

't Loof waar de wijndruif aan gloeit, Gordt nog uw lenden, terwijl Hooger, Germaniëns eik, Teeken van vrijheid en macht, Stormen en eeuwen trotseert.

Hooger, nog hooger verdwijnt 't Groene gewaad dat U siert;

Bar en verwoest is de rots. Bar en verwoest en verzengd. Drukt dan een eeuwige vloek 't Zegel der onmacht erop?

Neen! niet onmachtig, o Berg, Is uw verhevene kruin! Schijnt ze ons een have des doods, God doet er 't leven ontstaan. Ja, 't is de werkplaats van Hem

Die mensch en worm onderhoudt, Die 't minste kruidjen in 't veld Voedsel en lafenis schenkt. Daar, uit d'onvruchtberen kei, Schept Hij het levende vocht Dat, als verwarmende bloed, De aarde doorstroomt en bezielt.

Nooit heeft een menschelik oog Hem in zijn werkplaats bespied; Nevel omgeeft die en sneeuw; De adelaar laaft zich alleen Aan de ongenaakbare bron.

Maar klimt de koning der lucht Hoog in der nevelen kring, Laag daalt de gierige vorst Van al 't geschapene neêr, Als hij naar rijkdommen haakt! Berg, in uw schoot is geen hol, Is er geen diepte zoo diep, Veilig voor 't rondzoekende oog Loerende op goud en op staal, Staal dat de lichamen kwetst, Goud dat de zielen vermoordt.

Machtig en statig en trotsch, Lief en bevallig meteen, Zijt ge eene wereld - en toch

Zucht gij en klaagt ge zoo naar Als zich de zonne verduikt Brachten de kimme van 't West. Zeg, waarom zucht ge zoo naar, Beeldtnis van hoogmoed en trots?

Zijt ge der Kobolden woon, Zoo als de landman het meent? Zijt ge de grafnaald misschien (Prachtige grafnaald voorwaar!) Die eens de olympische god Stichtte voor 't reuzengeslacht?

Neen, 't is geen Kobold die zucht, Neen, 't is geen Titan die klaagt, Neen! Maar ge leeft, arme Berg, Lijdt en zucht daar ge leeft.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Gedichten · J.A. Laet · Poetry Cove