Skip to content
1883

Gedichten

J.A. Laet

III.

Neen! 'k zal u niet vergeten, o mijn vriend! 'k Heb u te teêr, te broederlik bemind; 'k Heb al te wreed geleden bij uw smart, 't Lot dat u sloeg, heeft me al te diep gesard, Ik heb te veel op uwe kunstnaarshand Gerekend voor den roem van 't Vaderland, En mijne ziel heeft te innig zich verheugd Bij 't aanzien van uw hemelzuivre deugd!

Hij heeft voor dat de dood hem was genaakt, Zijn kustnaarsroem te ruim, te groot gemaakt, En zoo hij niet de trotsch' historieblâren Die in zijn brein alreê geschapen waren, Ons als een pand gelaten heeft, omdat De dood te snel, te vroeg hem heeft gevat, Moet toch zijn naam niet, met de naam van allen, Nog onbekend en reeds vergeten vallen, Als of hij nooit het doornig kunstenpad Met ijver, lust en moed betreden had.

Is hij dan ook den heldennaam niet waardig, De ridder die tot alle kampen vaardig, Nooit eenen strijd, hoe zwaar, geweigerd heeft, Of nooit voor eenig doodsgevaar gebeefd, Schoon hij, van 't lot der wapenen begeven, De hand aan 't zweerd en onversaagd, moest sneven, En vallen - maar van strijden moede en mat, Zoowel als hij die beter kansen had, Geen hooger moed, op 't wisslend gloriepad?

o Ja, men kan gelijken roem behalen En bij den dood en bij het zegepralen!

En was er niet een onverpoosde strijd Den jongeling op aard voorbereid? Was niet het schoonste tijdperk van zijn leven Naar hooger doel een onophoudend streven? Was al wat hij op aarde tegenkwam, Niet bitter voor zijn zuiver harte? Nam Niet ieder dag een van zijn droomen weg.

En met den droom, een bron van zaligheid? Is hij niet steeds den hobbeligen weg Die hem in 't eind' ten grave heeft geleid, Manmoedig, zonder aarzlen, doorgerend? Wie noemt een ramp die God op aarde zendt, Die hem niet eens geraakt heeft of gewond? En toch dwong nooit het noodlot zijnen mond Tot laag gemor of tot onedel klagen! - En daarom ook, op 't einde zijner dagen, Toen hij aan 't hart den doodworm voelde knagen, Wist hij dat God zijn ziel ten hemel bood. Hij wierp een blik op de onvoltrokken werken, En vlood van de aarde op reine serafsvlerken. Want 't eind van al wat aardsch is, is - de dood!

1837.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Gedichten · J.A. Laet · Poetry Cove