II.
Hij, die alleen voor mij was blijven staan, Was nog niet lang des levens pijn ontgaan,
Om bij den Heer, in blijde hemelkringen, Het Serafslied met de Englenrei te zingen; En schoon alreeds de zachte majesteit Van eeuw'ge vrede en eeuw'ge zaligheid Zich rondom hem in glans verspreidde, en schoon Zijn schedel reeds versierd was met de kroon Van kunstenaar, van martlaar en van maagd, Nog stond het diep in zijn gelaat gegroefd, Hoe sterk hij werd bestreden en beproefd, Hoe akelig gekwollen en geplaagd. Zijn boezem was verengd, zijn hoofd gebogen; De geestdrift blonk niet langer uit zijn oogen, Zoo diep gehoold door kwijning en door tijd; Het kenmerk van een naren zielestrijd Stond nog op 't jong en zachtgeteekend wezen Gelijk op aard' voor 't vriendenoog te lezen, En gaf dan ook van hem getuigenis Als van een man die zijnes staats gewis, Den wreeden slag die 't lot hem had bereid, Met vrees wellicht, doch met gelatenheid Als vroom en heilig martlaar had verbeid. Hij naakte mij, en sprak met heldre stem, -
Daar leefde reeds iets goddeliks in hem: -
‘Vriend, treur niet meer! Uw droomen zijn bedrogen Dewijl er niets ter wereld is dan logen Voor wien bij al wat lot en leven biedt, De schors alleen en 't uiterlike ziet; - Maar voor den man die in der dooden oord Te vragen durft naar 't eeuwig raadselwoord, Wordt van al 't aardsch den sluier opgeheven, Hij ziet voortaan met deernis op het leven, En zal voor smart en strijd niet langer beven, Maar rusten in den hacheliksten nood; Want 't eind van al wat aardsch is, is - de dood!’
Nadat zijn mond dit woord gesproken had, Verdween zijn schim op aller dooden pad, En 'k hoorde nog een zacht geluid in 't riet, Een zuchten: Vriend, vergeet, vergeet mij niet!
Cookies on Poetry Cove