Het meer
Schoon, majesteitvolle Meer, Beeld des Oneindigen, dat ,t Kortzichtig oog van den mensch Meten noch peilen en kan, Huivrend begroet ik 't geheim, Raadsel der diepte en der vlakte. 'k Voele den adem van God, Die de uitgestrektheid doorwaait.
Schoon, majesteitvolle Meer, Prachtig is 't oppergewaad U van d'Algever gejond. Nimmer zal koningentooi, Nimmer zal vorsten sieraad, Waard zijn als rijkdom en praal D'effenen rok van smaragd, Rijk met perels doorzaaid, Dien u de zonne borduurt. Vriendlik is toch uw gelaat, Vriendlik, verlokkend en lief, Als had Jehovah u niet Machtiger, grooter gemaakt, Dan wat Hij verder nog schiep Zichtbaar en voelbaar voor ons. Niets is er vruchtbaar als gij! Uit uw gezegenden schoot Vloeit zonder poozen een schat Dien ge milddadig verspendt Maar zijt ge vruchtbaar en mild, Rijk en gezegend van God,
Nog met een edeler taak Heeft u de Algoede belast, Toen Hij u miek tot de baan - Golvende baan - die den mensch Stelt met den mensch in verband. Als, van de winden gestuwd, 't Schip uwe baren doorploegt, Juicht ge den zendeling toe, Drager des heiligen geests.
Doch wat ge 't menschdom onthoudt, Zijn uw geheimen, o Meer! Wat uwen bodem bedrukt, Wat uwen boezem doorgrieft, Houdt ge immer kuisch voor ons oog Nauw met uw sluier omhuld.
Dicht is die sluier, o ja! Dicht, ondoordringbaar voor 't oog; Maar toch de vorschende geest Licht er een hoeksken van op.
Zelfs daar ge vriendelik lacht, Zucht gij en klaagt ge zoo bang. Zeg, waarom zucht ge zoo bang. Zelfs daar ge vriendelik lacht?
En als de noorderwind loeit, En als U geeselt de orkaan, Gloeit ook de woede in uw schoot, Goed en milddadige Meer; Dan stijgt uw baar in de lucht, Komt er met wolken in krijg, Ploft in den afgrond weêr neêr, Brijzelt het schip en verwoest 't Veld waar de graanoogst op rijpt.
Waar komt die woede vandaan? Waar gaan die klachten naartoe? 'k Weet het. Gij leeft, stenend Meer, Strijdt ende lijdt - daar ge leeft.
Cookies on Poetry Cove