I.
't Was nacht, een nacht bij maan noch star verlicht En 'k zag een naar en vreeslik droomgezicht:
't Was in een dal van duisternissen dat, Oneindig als het plein van Josaphat, In 't midden een enklen heuvel had,
Een heuvel op welks top het kruis zich bood, Het teeken van verlossing en van dood; Opdat de mensch zich vastprinte in 't gewis, Dat slechts de dood ons ware redder is. Ook was het plein waarop dat teeken stond, Een heilige, een aan God gewijde grond, Waarin elk rif zijn aarden bedsteê vond.
Toen klonk er uit het duister wolkgewelf Een schelle stem. Het was de stemme zelf Des Engels die ons eenmaal in het dal Van 't jongste recht het teeken geven zal, Die nu 't bevel van God der aarde gaf:
‘Ik roep u op! Rijst, dooden! Rijst uit 't graf!’
En eensklaps werd het veld der rust gestoord, Er werd op eens een vreemd gewoel gehoord, Een zacht gesteen. - De lang begraven dooden Ontdeden zich van 't opperkleed van zoden,
Dat hen zoo trouw bedekt had en bewaard; Ik zag hen zoo als zij weleer op aard' En handelden, en minden, ja, en leden; De zweetdoek viel hun van de ontwaakte leden, En allen gingen, zuchtend, mij voorbij!
Bij eenen stoet van dooden, rondom mij In kring geschaard, mocht ik 't gelaat hervinden Van allen die mij eens op aard beminden, En die, gedenkend wat hun vriendschap gaf. Mij niet vergeten waren in hun graf. Ik zag hen allen in die nacht. - Ze waren, Met onderscheid van kunne noch van jaren, Nu weêr met mij vereenigd en verheugd. Daar zag ik, met zijn kroon van grijze haren, Den wijze die, als leidsman mijner jeugd, Mij 't voorbeeld gaf van wetenschap en deugd; Nog zag ik daar de schuldelooze maagd Die mij het eerst bemind had en behaagd, Die voor mij liefde en troost had, ondertusschen Ik bittre tranen van heur wang moest kussen; Zij minde zòò, dat ze in die schrikbre nacht
Heur veegen mond nog op mijn lippen bracht! Nog zag ik daar de schimmen van hen allen Die 'k eens in 's levens strijdperk had zien vallen, Onmachtig om, hoe zwaar hun lot mij trof, Hen voor den schrikbren val te hoeden, of Hen na den val te beuren uit het zand. - En allen reikten vriendlik mij de hand.
Na eenen stond verdween de vriendenrei. Toen gingen alle statig voor mij heen; Daar was er een nochtans die niet verdween, Daar was er een - en 't was Frans Hendrik Key.
Cookies on Poetry Cove