III. Ach! neen, o Barden! neen, o Broederen! Hoopt nooit voor 't vaderland een schittrend zelfbestaan, Voor laag gewin van aardsche goederen Voelt slechts de Belg nog 't hart in d'engen boezem slaan! Denk niet, o Dichterschaar! dat ooit uw harpentoonen Zijn flauwe slavenziel van hoogmoed trillen doen; Steun op de vaadren niet - en steun niet op de zonen, Ge zult ze als knechten van den vreemdling op zien voên! Doch, Broeders, hoe het lot den landzaat moge drukken, Breekt toch de snaren uwer harpen niet aan stukken; Maar heft uw liedren aan met meerder kracht en klem! Denkt op Johannes die van uit de wildernissen De langmiskende taal van Gods geheimenissen Liet hooren aan het blind en doof Hierusalem! Denkt op den arend die bij 't woeden der orkanen Stijgt hooger in zijn vlucht hoe meer de donder grolt, En bij die hemelreis het spoor vindt en de banen Waar nooit het bliksemvuur aan Godes hand ontrolt! Want gij, o Dichters, zijt de tolken Die 't woord des Hemels voor het menschdom nederschrijft,
En uwe vuurge ziel bewoont de donderwolken Waar zij als de arend drijft. Neen, Broedren, aarzelt nooit uw zangen te doen hooren, Al klinkt uw harpentoon nog in de woestenij; Johannes sprak weleer in 't woeste, zoo als gij - En eventwel geen woord ging uit zijn mond verloren. Zingt, Barden, zingt! Gij zijt de telgen, De kindren van het oud geslacht, In u vloeit warmer 't bloed der Belgen, Dat vreemden spronk en praal veracht! Zingt! en dat eens het volk de landverraders doeme, Zijn eigen erf en eer in eigen tale roeme; Zingt! dat de wereld nog den naam der Belgen noeme, Met opgetogenheid voor vlaamsche mannenkracht!
Cookies on Poetry Cove