II.
De maar zweeft rond, de kreet gaat op: Stroomt samen, Ridders! heft den kop, Die dorstig zijt naar heldenglorie, Wien 't wrevlig lot den roem betwist - In 't steekspel van Sint Jan-Bâtist, Te Gorcum, wacht u krijgsviktorie!
Stroomt samen, KempenKrijgsliên. vol beleid, Vol kracht, vol moed, vol abelheidBekwaamheid, geestigheid, schoonheid, enz.! Stroomt samen - vreemd aan zelfmistrouwen, Gedost in staal en zijde en goud - Waar Arkel heden feestdag houdt, Met eedle Vrouwen en Jonkvrouwen.
't Gezelschap, uitgelezen schoon, Beklaagt alleen dat Arkels zoon,
Dat Jonker Jan, die reeds voor jaren Naar Braband toog met Claes Percijn, Een feest, waarvan hij de eer kon zijn, Weêr ongedeeld zich laat ontvaren.
De Kampheer wenkt, de slagboom wijkt; Ter schouwplaats, die van rondom prijkt Met de eêlste rozen onzer hoven - Ter schouwplaats blikte ook Ermingard, Een voorgevoel in 't raadslig hart, De ridders aan, die binnenstoven.
Maar Egmonds blinkend borstjuweel, Maar Haerlems kruis op gloeiend keel, Maar Leidens telgen, hooggeboren, Maar wilden Rietwijcs hoofsche zwier - Geen baanderheer, geen bachelier Kan 't zoekend oog der maagd bekoren.
Ten spijt des tromp- en wapenklanks Schouwt zij de breede rijen langs, Die Gorcums Kampveld dicht omgeven - En wat zich daar ten schouwspel bied, Háar boeit de felste wedstrijd niet - Die beeft voor niemants eer of leven!
En toch - daar rust op eens haar oog -
Als of een beeld haar geest doorvloog.... Vergeten beeld uit vroeger dagen! - Haar blik wordt van een blik ontmoet, Wiens uitdruk onbeschrijflijk zoet Heur harte gloeien deed en jagen.
Zij slaat, beschaamd, heur oogen neêr - Maar nog, nog voelt zij eindloos teêr Den weêrblik op haar aanschijn rusten; Zij schuilt zich weg in 't huifsatijn, Als ducht zij 't spelend windekijn, De tochtjens, die haar oogleên kusten.
En die haar gaâsloeg - staat versteend, Maar blozend, aan de zuil geleend, Die 't paviljoen, dat hen vereent, Ten rechter buitenhoek versierde; Neen! hij ontwaart geen feestgedruisch, Geen krielend volk, geen hoog stadhuis, Van waar men, onder tromgeruisch, Verkondigde wie zegevierde.
't Was Rietwijc! ‘Rietwijc!’ ging de kreet; En die den laatsten lansstoot deed Bekroonde 't overwinningsteeken; En waar zijn trotsche leest zich keer - En wat zijn vonklend oog begeer -
Men geeft hem toe, men buigt zich neêr, De richting van zijn tred ontweken.
De vreemdling ziet den bonten hoop, Der knapen, die, in dartlen loop, Voorbij zijn starende oogen zweven; En pijnlijk schokt zijn fier gemoed Een hoongelach - ten welkomsgroet Door Rietwijcs bent hem toegedreven.
‘Wie is dat?’ vraagt de woestert luid, ‘Hij ziet zoo zuur ten oogen uit, Of Haerlems wond hem deed verschrikken: Uit Braband? hij? - een Edelman, Hij, die geen bloed gedoogen kan? - Dan hoop ik, dat ons Hertog Jan, Nooit weêr zoo'n lafbek toe moog schikken!’
En joelend streeft de schaar weêr voort. - Had Ermingarde niet gehoord Wat schendtaal opging uit hun midden?... Verbleekt ziet zij den vreemdling aan - Ook hij, hij had den hoon verstaan - Maar schoon haar blik om wraak mocht bidden, Zij zag haar bede niet voldaan.
De jongling staart met rustig oog,
Zijn gramschap teuglend, op de scharen, Die van den schimp getuige waren, Wiens klaauw zoo woest hem tegenvloog: En vast bereid hun licht te schenken In 't misdrijf, straffeloos begaan, Roept hem een zachte klaagstem aan: ‘Ach Jonker, wil mijn mars bedenken! - Gij, die me spijzen kunt en drenken, Ach, laat me niet van nood vergaan!’ Hij wendt zich om: een jonge koomenKoopman, kramer. Staat hem met neigend hoofd ter zij; ‘Ach!’ roept hij, ‘mocht uw deugd mij vromenBevoordeelen, van nut zijn., 'k Heb Uw milddadigheid vernomen - Om Gods wil! deel uw beurs met mij, En neem mijn gantsche koopschapprij.’
Een glimlach kleurt des vreemden kaken: ‘Wat,’ vraagt hij, ‘zijt ge wel in schuld? Wat wenscht gij, om u rijk te maken? Waar is uw koopmars meê gevuld? - Ik weet niet veel van woekerzaken.... Maar heden aan den kost te raken Is minder dan gij eischen zult?’
‘Ach Jonker! doe mij karitate:
'k Breng alles u verdubbeld weêr; Ik eisch geen vordring boven mate, Duld, dat ik u mijn koopmars late, En met uw buidel, lieve Heer, Naar d' armen, ouden, vader keer!’
De vreemde wischt een traan uit de oogen, Betaalt den inhoud der schapprij - Maar laat hem, in zijn mededoogen, De koopwaar en de mars er bij. ‘Doch,’ roept hij schertsend, ‘weel nu goed, Dat gij mij dubble reekning doet!’
En de andre - durft nog naauw beseffen, Wat weldaad hem te beur te viel - Naauw heeft de braafheid tijd tot treffen, Tot dankverwekking in zijn ziel - Of plotsling voelt hij zich gegrepen Door Rietwijcs onweêrstaanbre vuist, Die, deernisloos en onbesuisd, Hem van de schouwplaats neêr wil sleepen... En met een vloekend: ‘Voort trowant!Truand (Fr.), hier schooier.’ Hem afstoot op het marktpleinzand.
‘Wat waagt gij 't!’ roept zijn barsche taal,
Wat waagt gij 't, Jonker! onder Edelen, Ten hoon van Arkels feestonthaal, Uw makkers hier te laten bedelen? Gij, Jonker! zonder tong en staal!’
‘Ik, Jonker zonder tong en staal,’ Herneemt de vreemdling, uit wiens oogen De moed, in hellen bliksemstraal, De plaats van 't feit is rondgevlogen: ‘Ik, Jonker, die josteerJoûter (Fr.) kampen., noch snoef, Zal,’ roept hij, plotsling naderspringend, En Rietwijc uit zijn standplaats dringend, ‘Zal u bewijzen, lage boef! Dat ik uw wapens niet behoef; Dat, schoon een eed mijn zwaard moog boeien, De geest mij stem en spraaktuig bind, Ik ármen heb, om die mij moeien Met stam en wortel uit te roeien - Gelijk 't uw lot zij, hellekind! Ziet, Ridders! Knapen! eedle Vrouwen! Ziet, hoe 't begeerig ongeduld Mijn handen schept tot reuzenklaauwen, Om hier een boef in toom te houen, Die - naar 'k beken - met moed en trouwen, Zijn plicht in 't steekspel heeft vervuld!’
En toen, met de ongelijkbre spieren, Waarmeê hij Rietwijcs leest omgreep, En 't maliejak in 't lichaam kneep, Ziet men hem, fors, in éenen sleep, Den ridder rond zich henen zwieren, En werpen, ter geduchter straf, Drie vadems ver de schouwplaats af.
Een greppel, naast de raadhuishal, Ontving het breed geharnast lijf, Dat, wezenloos bij 't stout bedrijf, Geen weer kon bieden aan den val. Maar de aangevloeide ridderscharen, Die, bij dit vreemd en ruw tornooi, Rondom de plaats vergaderd waren, Zijn straks bereid, in 's jonglings prooi, 't Gedoofde licht weêr op te wekken. Hij ziet de wacht zich tegentrekken, Om, voor zijn al te stout bestaan, Voor 't leed, een Ridder aangedaan, Hem (vreemde Knaap) in boei te slaan.
Maar onder haar, wie 't wendend lot Des fieren Knaaps de borst benarde, Herkent men tedere Ermingarde. Heur boezem joeg van hoog genot Toen hij, haar vriend, voor deugd en eere,
Genoopt door echte menschlijkheid, Zich even moedvol schiep ter weere, Als hij, bij vroeger wanbescheid, De wraak en straf zich had ontzeid. Men zag haar, met welsprekend oog, De riddrenschaar om bijstand bidden Voor d' eedle, dien men, uit hun midden, Wellicht ten straf- en schandpaal toog. Op éens ontdekt haar blik den koomen, En, in haar onbeschrijflijke angst, Heeft zij haar halssnoer algenomen, En smeekt hem luid ter hulp te komen Zijns redders, die nog vreemd aan schromen, Zich in zijn kracht en moed verschanst: ‘Daar ging,’ dus roept hij, ‘Ridders, Knapen! - Na 't geen 'k in daden heb verklaard - Geen moeite met mijn zorg gepaard, Om, schoon hier vreemd en zonder wapen, Toch, verre van mijn huis en haard, In Gorcums kerker niet te slapen: Maar 'k eisch geen bloed; ik wil geen strijd: Mijn zwaard, aan 't heilig kruis gewijd, Moet enkel, onder Salems wallen, Als pelgrimsroê, die scherp kastijdt, Den vuigen Islamiet doen vallen. Begeef mij mijn beschermeling, De koomensknaap, wien, ginder vluchtend,
En, mijnen t' wil, uw gramschap duchtend, Al ras de erkentlijkheid verging. Begeef mijn' geest, mijn' arm hun kracht - Uw woord-slechts zal mijn rechter wezen: Wat zou mijn hoofd in Gorcum vreezen - De stad, die mij heeft voortgebracht? Ja, wie mijn stamhuis niet herken, De springveer loochent in den werke, Weet' dat ik Jan van Arkel ben - De kleinzoon van Heer Jan den Sterke: 'k Wou, voor mijn tocht naar 't Heilig Land, De woonplaats mijner jeugd herschouwen; Maar zwoer, tot boete, mij te onthouen Van kus aan vriend en bloedverwant: Doch 't ingeschapen rechtsgevoel, Kon (neen!) mijns vaders onderzaten.... Niet ongewroken overlaten.... Aan wie, doldriftig en verwaten, Het volk zijn heerschzucht stelt ten doel. Vaartwel! mijn woord zij niet geschonden! - Maar gij, die 'k onder u bemin, O denk, o denk aan eedverbonden, Waar harten, die elkaâr verstonden, Den vollen omvang van doorgronden - Al maalt geen klinkend woord den zin. Vaartwel! ginds naakt mijn grijze vader - Geef, Heer, geef krachten aan 't gemoed! -
Gedoogt met, Ridders, dat hij nader! Een jaar nog slechts... niet eer, niet spader!... Vaartwel! ontvangt den laatsten groet, Waarin u, Riddren, hier te gader, De vreemde Schildknaap hulde doet!’
Cookies on Poetry Cove