Skip to content
1844

Drie gedichten

J.A. Alberdingk Thijm

IV.

O, toen heur oog, nog kalm en klaar, Schoon treurend om 't gemis van liefde, 't Gemis eens wezens, wie, als haar, Een zoete smart den boezem griefde, Zich ophief naar d'Alzegenaar - O, toen heur mond een bittre klacht, Maar toch niet ademloos moest slaken - Haar schuldloosheid - voor 't minst de nacht Tot uur van heul en heil mocht maken, Dat tranen, maar ook zielsrust, bracht - O toen zij 't raadslig kind nog was, Bij wie de voedster op de hoeve Geen ander woord op 't voorhoofd las Dan, ‘Vrienden, duldt, vergeet, de droeve, Wier wonde nimmer troost genas’ - Ja, toen - ook toen kwijnde Ermingard Aan ongekende en diepe smart.

Maar 't was de zwarte wanhoop niet, Die thands, als wachter van haar schreden, Steeds om, en met haar voort blijft treden, En niets dan schriktooneelen biedt, Ten schouwspel in haar zielsverdriet. Neen! toen, toen was haar 't morgengloeien Geen onverdraaglijk martelvuur; Peoen en anjer mocht haar bloeien, De beuk mocht kalme lommer sproeien, De stroomval laafnis voor natuur. Den avond werd geen koelende adem, Die koorts en huivring spreidt, misduid; En o, des nachts bij 't klokgeluid - Neen, neen! dan woei geen grafkuilwadem, Geen geest het flikkrend lampjen uit.

O kent gij, kent gij 't vreeslijk lijden - Eene aarde, wie de zon verliet? Een woud, wiens eindeloos verschiet Uwe oog geen levend wezen biedt, Hoe ook doorkruist langs alle zijden? Een mensch, een jongling, die in 't graf Zijn schijnbre dood heeft uitgeslapen, En om zich heen tast naar een wapen, Dat ruimte, ruimte, en lucht verschaf - En, schoon de greep geen lichtnis gaf, Nog voedsel voor de nood wil rapen? -

O, kent gij 't lijden eener ziel, Wie Hoop, Geloof, wie God, ontviel?

Gewis! dan volgt ge, een traan in 't oog, De diep rampzalige Ermingarde, Wie 't leven alle vreugd onttoog, En - ja! vervreemd van God omhoog - In 't kwaad, maar niet in 't leed, verhardde.

De najaarswind woei, guur en straf, Aan 't woud zijn laatste lovren af; De winter was in sneeuw en regen, In onweêrsvlaag bij onweêrsvlaag, In nevlen, drukkend, graauw, en traag, Op 't weerloos aardrijk neêrgezegen. De storm, in 't somber avonduur, Blies over trans en buitenmuur, En loeide door de breede schouwen, En gierde om spits en torendak, En geeselde op het venstervlak, Ten schrik der bloode kamervrouwen.

Maar Ermingard, zoo schuw als ooit, Zoo stil, zoo droef, zoo voor zich-zelve, Liep, van gedachte gants verstrooid, Vaak dolend door het slotgewelve.

En welke hand naar 't middel delve, Dat eens haar peinzend hoofd ontplooit - Heur zielsgeheim verraadt zich nooit.

Eens had men haar, reeds 's avonds laat, In 't effen wit, en doodsch, gewaad, Omgeven door de lange wijlen, Het lampjen in de tengre hand, Dat kwijnend als heur harte brandt, De burchtrondeeltrap op zien ijlen:

Zij klom al hooger, klom al meer - Als weken haar, in hooger sfeer, De banden, die heur boezem prangen - Tot ze, ademloos en afgemat, De kille nachtlucht tegentrad, In 't laag gewelf der bovengangen.

Door 't enge raam der tinne - schiet De maan, meêwarig bij 't verdriet Der arme maagd, zoo jong van dagen, Heur glinstring neêr in stille pracht - Als hield ze in 't zorgloos uur der nacht Een wakend oog op haar geslagen.

't Was schoon den hemel gaâ te slaan, En 't licht, zich spieglend in de baan

Der waatren, tot kristal gevroren; 't Was schoon dat licht, verduizendvoud In vonken van gesteente en goud, Als de ijzel over veld en woud In zachte kleur bij kleur deed gloren.

En 't schouwspel roerde ook Ermingard - Voor 't eerst gevoelt ze een trek in 't hart Tot streeling der verdoofde zinnen: Zij stijgt de torentrap in top: Zij heft het valluik langzaam op - En ademt, vrij, op de open tinnen.

Als los van de aarde zweeft haar leest, Gelijk een reine hemelgeest, Die zegen over 't Huis komt spreiden, De transen langs; van waar zij 't oog, Bij beurten, langs den hemelboog, En 't landschap daar beneên laat weiden.

't Is of een denkbeeld, vreemd aan 't oord, Vreemd aan een rust, door niets verstoord, Haar, plotsling, door de zinnen dwaerelt; 't Gelaat, hoe bleek, verbleekt al meer - Zij nadert zacht den buitenweer - Ze aanschouwt het stil tooneel der waereld.

Zij ziet den kamp van licht en schaâuw, En 't gindsche meer in 't maanlicht glimmen; Daarboven, ziet zij 't zwart der kimmen - Maar alles, alles samenklimmen Tot smelting in het hemelblaauw: 't Is alles eenheid - harmonijen - Langs waereldvlakte en luchtgewelf: Toen sloeg zij de oogen op zich-zelf - Daar vond zij wanhoop - zonde - en lijen - Nu denkt ze aan onzijn, einde, en graf: Zij buigt zich over d'omring af... Zij staart - en weende, nu zij staarde.... Zij vond zoo weinig zoet op aarde - Zij peilt de diepte: God, o God! Keer door een wonder 't vreeslijk lot!...

Daar treft op eens een vreemd gezicht - Een blikkring, die in 't duister licht - Daar ginds, in de iepenlaan, hare oogen: Het zwarte denkbeeld is vervlogen.... Heb dank, o God! de booze zwicht!

Maar wie? - wat stoet van kavalieren Doorrijdt daar ginds 't besneeuwde veld? Zij voeren fakkels noch banieren, Doch blanke ridderpluimen zwieren Om wien men de optocht ziet bestieren,

Als Heer de schaar aan 't hoofd gesteld.

Wat mag hen lokken? - hoe, zij naderen - Zij naadren 't grijze burggesticht: Een vreemd gevoel doorwemelt de aderen, Benevelt Ermingards gezicht. Zij wenden af - neen! 't is om lichter Het enge bergpad langs te gaan.... Wie zijn zij?... wie, wie naakt al dichter De poort.... en grijpt de koehoorn aan....? Hij heeft zijn helmkap opgeslagen? Hij gaat den slotvoogd voor zich dagen: Daar treft op eens, zijn fier gelaat, Een straal van 't maanlicht.... ‘God, daarboven!’ Gilt Ermingard, ‘mag ik gelooven, Wat voor dat hoofd geschreven staat? Genade, o God!’ en, binnenloopend, Verneemt zij naauw den hoorneschal, Die leven wekt op plein en wal, En 't aangetogen krijgrental Hamei, en poort, en slotgang opent.

Daar slaakt ze op eens een raauwe kreet, Daar smelt zij, staamlend, 's Heeren namen Met dien van haar geliefde samen, Daar ligt ze in d' arm, en hangt ze aan 't kleed Van hem, die Jan van Arkel heet,

Van die het leven heeft hervonden, Van die, getrouw aan de eedverbonden, Door 't hart, ondanks zich-zelf, gesmeed, De smarten van geheelde wonden, Ja, heel zijn vroeger lot vergeet, En zich, na rampen, licht verzwonden, Bij Ermingarde welkom weet.

En zij! o, wie, wie waagt te schetsen, Wat omging in haar teêr gemoed? Wie waagt het haar gevoel te kwetsen, Door verwen, zonder kracht en gloed! En toen vooral, toen haar heur gade - Hij, wien heur hart dien naam reeds geeft - Een vreemdling voorstelt, door wiens dade, Wiens dienst, wiens deugd, hij heden leeft.

Ontwaakt van uit den zwijmeltoover, Waar Arkel, na zijn laatsten strijd, In wegzonk, bleef de kracht hem over, Om, zoo ontbloot van knaap als roover, Ondanks de smarten, die hij lijdt, Zich voort te spoeden, en weldra Te kruisen binnen Genua.

Daar treft zijn oog, in éen der straten Een huis, dat hem zijn schild - zijn zwaan en balken - toont:

Wie is de rijkaart, die 't bewoont, Die zweert hem niet ten prooi te laten Aan nooddruft, krankte, en stervensnood, Wie redt hem van een wisse dood? Wie keert, met hem, naar Maes- en Merwezoomen? Wien brengt hij bij zijn Ermingard, En stort, met God, haar rouw in 't hart? - 't Is de arme knaap, de jonge koomen, Die 't gierig lot met vrucht bestreed, En Arkel dubble reekning deed.

‘O God, O Jezus, eindloos teder! Vergeving voor mij, zondares - Ja, 't was me een dure en vruchtbre les - Nooit, nooit mistrouw 'k Uw Liefde weder!’

En Arkel, knielend naast haar neder, Beseft, en deelt, haar luide beê. Vergeet dan, Vader! d' overtreder, En schenk Uw zegen aan dees twee! O scheid ze niet: 't was hem ter liefde, Dat ze U, o God! beleedigd heeft: Denk, hoe 't haar maagdlijk hart doorgriefde - De dood van hem, in wien zij leeft! O, zij doorzag de hooge waarde Der blanke deugd, door hem betracht, Het lot dier deugd, ons lot op aarde -

Ziedaar 't geen haar aan 't wanklen bracht.

Maar toch, vergeving! thands doorziet ze, Dat, schoon de dood hem hadd' geveld, Uw Rijk hem open bleef gesteld; En tranen van berouw vergiet ze - O, zij 't een vloed, die rust voorspelt.

En ja! des Heeren heilgenade Keerde in 't Geloof aan Jezus weêr; Zij dienden samen trouw den Heer, En Hoop daalde in de Liefde neêr, Waar 't Godgetrouwe hart in baadde.

Met de egaâ, die de Heer hem gaf, Bleef Arkel trouw aan eedverbonden, Waar harten, die elkaâr verstonden, Den vollen omvang van doorgrondden, En van getuigden tot aan 't graf.

Te Gorcum ligt hun stof ter neêr - De zielen zijn bij God den Heer.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Drie gedichten · J.A. Alberdingk Thijm · Poetry Cove