Skip to content
1844

Drie gedichten

J.A. Alberdingk Thijm

III.

De muurpoort uit van 't hofkasteel, Nog in de schaduw van zijn toorne, Langs duin- en dal- en veldstruweel, Zijn oog naar 't bloeiend zuiderdeel, Betreedt een pelgrim 't Land van Voorne. Reeds stoof het zand zijn tabbaard graauw, En 't koelend vocht van d' avonddauw Doordringt hem de afgematte leden; Zijn haar werd bleek, zijn wang geroost, En echter ziet men hem getroost, Met vasten stap naar 't Zuiden treden. Hij heeft reeds lang dien stap gegaan; Hij heeft reeds menig tocht gedaan, En omgezworven in den vreemde - Aleer 't verschiet zijn doelend oog, Zijn dwalend brein, zoo min bedroog, Als thands in Voornes vruchtbre beemde.

Hij zocht vergeefs aan 't Graaflijk hof, De Jonkvrouw, wie zijn reis betrof. Zij koos zich, 's waerelds vreugd vergetend, Maar hóoger vreugd in 't harte rijk, Het somber Sprewenstein ter wijk, Dat ook des pelgrims uitzicht ketent. Men ziet zijn rust de ervaring aan: Geen boerenstulp wordt aangedaan, Geen heuvel wordt uit nood beklommen; Hij kent zijn pad, en wenscht geen gids, Aanschouwt Rocanjes rookkolommen, En groet zijn slanken-torenspits, Die flonkert als een bliksemflits, Van 't purpren avondgoud doorglommen. Ten Oosten af, in duin en daal, Doorschrijdt zijn voet de Zwarte Wael, Wier vocht, langs menig zomerstraal, In lichte wolken steeg ten hemel; En langs den spiegel van 't Flackëe, Dien smallen stroom, die beek uit zee, Voert, in den dalende' avondschemel, Een visschersboot hem naar Goeree.

Hij maakt zich op, en streeft weêr voort, En dringt al verder door in 't land, Langs akker, weide, en boomwarand, Tot waar een stil en boschrijk oord,

Hem verder, telkens verder spoort. Een eenzaam beekjen, dat voor 't laatst, Bij d' eerlang uitgebluschten dag, Der eiken groen en goud weêrkaatst, En zijn gemurmel huwen mag Aan 't klagend lied der filomeel, Langs heuvelvlakte en duinpriëel, Voert, naast den pelgrim voortgestroomd, Hem onder steil en dicht geboomt' Tot aan den voet van 't oud kasteel.

Daar heft hij 't bukkend hoofd omhoog, Daar laat hij 't koelend windtjen varen. Door 't somber graauw der dunne haren, Daar paerelt hem een traan in 't oog: ‘O!’ roept hij, ‘droeve keer der tijden! Wie had me, een jaar geleên, voorzegd, Dat mij de taak was weggelegd 't Gekrookte twijgjen af te snijden - Mij, armen, ongetrouwen knecht! Maar hoe! wat harpklank vangt mijn oor! Haar stem, mijn God! uit gindschen toren? Hoe? moet ik thánds haar juichtoon hooren? Hoe, moet mijn woord dien toon versmooren? Haar rust, haar heil, haar al - verstoren? - Ach, kwaam 't gevoel, 't gerucht, mij voor!’

Hij zwijgt; en laat zijn voorhoofd zinken, En zet zich aan den weg ter neêr; En laat den grond zijn tranen drinken; En hoort op nieuw den maatzang klinken, Nog even kalm, en even teêr...

Lied. ‘Hij zag mij aan - en 't jagen van mijn boezem, Mijn blos verried, wat andwoord ik hem bood; 't Was in den geest, dat ons de liefdebloesem Zijn frissche geuren mild ontsloot. Hij sprak mij toe: ‘O denk aan eedverbonden, Gesloten tusschen hart en hart!’ En zie! mij was de vreugd hervonden: Ik heb voor hem geleefd - en 't is of duizend monden Mij luid verkonden - Hij leeft alleen voor Ermingard.’

‘Hij zag mij aan - zijn oog betreurde 't scheien; Dof klonk de toon der pijnlijke afscheidsgroet: Ik had zijn woord verheden met mijn schreien - Maar God bezielde 't braaf gemoed. Zijn laatst vaarwel drong mij door hart en ader: Een jaar - een jaarkloof, die ons scheidt! Die kloof vervuld - neen, God! niet spader! -

Wen de adem van Sint Jan weêr gloeit in 't boomgeblader Vliegt hij mij nader - Mij, wie zijn liefde niet misleidt.’

‘En nu - den dag, den avond voor zijn keeren - Spreek, spreek, mijn mond! een danktoon uit aan God! Wat vroeger smart, wat lijden zou mij deren! - Ik zegen, Heer! mijn levenslot! Ik zegen, ja, Uw wijsheid en Uw liefde: Gij loont zijn deugden, naar Uw woord; En wat ook ooit mijn boezem griefde - Wat zucht om heilgenot deze aardsche dampen kliefde - In mijn geliefde Ziet elke bede zich verhoord.’

In mijn geliefde Ziet elke bede zich verhoord - De toon trilt door de ruimte voort..... En zwijgt - als werd de geest verstoord, Die omwaarde in den duistren toren; En droef zag berg, en bosch, en laan, Van waar hij 't heilrijk lied mocht hooren, Den opgerezen pelgrim aan.

Hij naakt den hechten buitenwal; Een onverwachte horenschal Dreunt voorplein langs en slotportalen;

En weinig later wordt hij-zelf, Langs torentrap en ganggewelf, Geleid in een der bovenzalen.

De Burchtvrouw, welker teedre hand Den luchter beurt, die knappend brandt, Treedt met ontsteld gelaat hem nader - Maar fluistert gul een ‘Welkom, vader’; Haar maagden nemen hoed en staf Hem roerloos en stilzwijgend af: Daar knielt hij voor haar voeten neder - Daar is hij zich geen meester meer - Daar stamelt hij, zoo luid als teêr: ‘Zoo zie ik u dan eindlijk weder! Ach, Jonkvrouw, ken, ken d' ouden Zweder, Uw knecht, uw dienaar van weleer!’

‘Gij!’ gilt zij uit: ‘God lof! hij keerde! - Waar is - waar is hij? spreek, o spreek! Waar is hij - dien 'k aanbidden leerde?..... Uw meester? Arkel? - breek, o breek Het harte niet, waarmeê 'k u smeek, En dat zoo noode hem ontbeerde!

Of - heeft hij u vooruitgezonden? Opdat uw boodschap zoo veel te eer, Zijn komst in Voorne mocht verkonden,

En mij (als of zijn blijde keer Mij ooit verrassen kon!) nog meer Op 't heuglijkst oogenblik voor beiden, Ons wederzien, mocht voorbereiden?

Och, waarom zwijgt ge, en welt die traan In 't starend oog, mijn blik ontwijkend? - Zijt gij dees muren ingegaan - Voor 't kinderlijk gevoel bezwijkend, Dat u het trouw gemoed deed slaan, Bij 't weêrzien van 't bekende, en 't oude, Dat eens zijn beeld groef in d' onthoudeOnthoud - geheugen.?’

‘Ik - trouw? neen, Jonkvrouw!’ roept hij uit: ‘Ik heb uw Heer en u verraden - 't Is met de schandlijkste aller daden, Dat ik mijn levensloop besluit.’

‘Hoe, Zweder! - Och, gij zijt niet schuldig: Wat kan uw misdrijf zijn? - 'k Beloof Zoo haast ik hier den meester huldig, Dat ik voor u zijn wraak verdoof, En hem een blank pardoenschrift roof, Voor al uw feilen, hoe veelvuldig.’

‘Dan,’ barst hij in vertwijfling los, ‘Dan, Jonkvrouw! zij mij God genadig: Gij zult dan nimmer, hoe weldadig, Den last verlichten, dien ik tros.’

‘Wat zegt gij?’ roept ze, naauw bevroedend, Wat zin er in die woorden ligt; ‘Dat ik,’ herneemt hij, luid en woedend, ‘Verzaker ben van eed en plicht - Dat ik mijn méester heb verlaten, Toen hij verkeerde in stervensnood, En, of mijn vonnis u mocht baten, Thands keer, om u de keus te laten Der mij verdiende marteldood!’

‘Dood?’ krijt ze, ‘mensch, gij ijlt - gij revelt: Wie is er dood? - Wie spreekt van dood? Ik weet niet... wat gij wilt, of prevelt: En toch - gij hebt mijn geest beneveld: Uw taal valt op mijn hart als lood.

Wat zegt ge? - spreek!’ En moê van 't slingeren In al de wieling van 't gevoel, Ving Ermingardes breede stoel Haar op, terwijl de bleeke vingeren Heur voorhoofd streelden zonder doel.

De dienaar sluit een wijle de oogen; Denkt na; vermant zich; en zijn taal, Schoon met een angstig hart gewogen, Doet Ermingarde een trouw verhaal:

‘Van toen gij 's avonds aan den dag, Die met den Graaf ons te Arkel zag, 't Bevel mij gaaft, om, zonder dralen, Den Jonkerpelgrim te achterhalen - En hij mij minzaam tegenkwam, En, op het hooren uwer tijding, Met zichtbre liefde en zielsverblijding, Mij tot zijn eersten dienaar nam - Heeft de arme Jonker, nooit volprezen, Zijn tocht vervolgd met dubblen spoed; En vergde, met getroost gemoed, 't Zij gul verwacht, of afgewezen, Ontzag voor d' achtbren pelgrimshoed. Hij heeft, met eere en Godvrucht tevens, De bedevaart ten eind gebracht; En sprak - de schoonste dag zijns levens (Behalven éen, dien vaak zijn klacht Dien vaak zijn teder lied herdacht!) Was dan, na jaren tegenstrevens, Ter kim genaakt in volle pracht. En in die lang verbeide stonden Werd door 't genadig opperhoofd

Der Joannieten, hooggeloofd, De baldereelRiddergordel. hem aangebonden; De gouden sporen vastgeschroefd; De kaakslag toebedeeld, ten teeken Der needrigheid, voor God gebleken, Der deugd, in iedren strijd beproefd. En zie - mijn Ridderlijke meester Toog vreugdevol naar 't Westen heen; Reeds werd Itaeljes kust belreên, Ten spijt der bangste tegenheên - Toen hem Sint Jan des nachts verscheen, En drie maal toeriep: ‘Spaar uw schreên!’ Maar, welken knaap de schrik begeester Geen Jan van Arkel draalt, en vreest er, Waar liefde wenkt, en liefde-alleen.

Wij togen door; maar, hoe voorspoedig, Mijn voorgevoelen bleef zwaarmoedig - Mij zweefde 't ergste voor den geest: Drie Jannen reeds, nog jong van dagen, Zag Arkel zich ter kruisvaart wagen, En ver van huis ten grave dragen, Schoon trouw aan God en de eer geweest. En ja! - ter nood een uur gescheiden Van 't rijk en machtig Genua,

Dat aan de zee van Corcica Zijn havenschat ten toon mag spreiden, Daar wordt mijn Heer met heel zijn stoet Van vuige roovers overvallen - Hij strijdt - en mindert hun getallen, En strijdt nog, wentlend in zijn bloed.... Maar ach, in weêrwil van zijn moed, Treft diepe schande en dood ons-allen. Mij viel het bitterst deel te beurt - De schande, mij voor 't hoofd geschreven, Mijn armen meester te overleven, Mijn Heer, bij vriend en vreemd betreurd. Hij riep mij, toen de bende, aan 't vluchten, Een laatsten adem hem behield, En zeide: ‘'t Volk, dat ons vernielt, Gelooft u dood, dewijl gij vielt; Doch spaar u, keer naar hooger luchten, Voorkom daar valsche strijdgeruchten - Slechts de overmacht heeft mij ontzield! - Zeg Ermingarde, dat mijn leven, Mijn sterven haar was toegewijd; Dat ik den geest heb opgegeven, Maar vrij van grievend zelfverwijt: Ik dacht, ik dacht aan eedverbonden, Waar 't harte zich in overgaf: Die eed, ten Hemel opgezonden, Vereenigt ons, in spijt van 't graf.’

En Zweder, zinkende in gepeinzen, Bedekt zijn schreiend aangezicht; Maar Ermingardes geestkracht zwicht: Men ziet haar plotsling opgericht - Maar even plotsling nederdeinzen, Bij 't langzaam dovend levenslicht. Doch eensklaps, ver van stervensnoode, Doorschrijdt ze een deel der duistre zaal - En hol en davrend klinkt haar taal Als hooger godspraak uit den doode. Haar koon is bleek, maar 't blaauwend oog Blaakt van nog ongekende glansen. De vlechten, die haar hoofd omkransen, Zijn losgewoeld, en van omhoog Gedaald tot om den schouderboog. Zij heft zich op; zij geeft bevelen; Zij heet, dat men de poort ontsluit; De wachten van de burchtkanteelen Op plein en voormuur doe verdeelen; Banieren zwaai, bij klokgeluid!

‘Mijn paard, mijn paard! ik trek hem tegen! Ik volg de roepstem van mijn hart! Wée, wie een macht, naar recht verkregen, De vriendschap, die den gast bejegen, Betwisten durft aan Ermingard!

Ach, waarom, waarom mij mishandeld!...

Wat ongeroepen kastelein Geeft wetten uit op Sprewenstein? - Is dan de vrouw in slaaf verwandeld?

Ik, Ermingarde-alleen, regeer; Ik oefen recht naar welbehagen, En om mijn echtgenoot en Heer, Met hart en hand, de huldingseer Van iedren burchtzaat op te dragen.

Ach, Zweder, laat mij, laat mij voort..... Gij slaat uw Jonkvrouw dan in boeien?....

Gij ziet ze mij met bloed besproeien....

Mijn klacht, mijn adem wordt gesmoord - - Barbaar! die hem en mij vermoordt!

Ik, dwaze! - ik weet niet wat mij martelt: Ik ijl - wie dreigt met woord of daad? Toe, maagden! vrolijk opgedarteld - Hij nadert, met verheugd gelaat. Zie, zie! - hij draaft, met die hem volgen, Den berg reeds op - hoor, hoor, zijn sein:

Zoo heeft de orkaanvlaag, hoe verbolgen, De zee, het graf, hem niet verzwolgen! Hij leeft, hij heerscht op Sprewenstein.

Zie, Zweder, zie, ik vlocht van rozen En lelies hem een frisschen krans: De maan huwt aan den zonneglans - De moed, waarvan zíjn kaken blozen, Mijn harte, zwak, maar rein nochtans.....

O God!’ roept ze eindlijk, luid aan 't schreien, ‘'k Mislei, 'k mislei mij-zelf om niet: De dood - de wreede dood kwam scheien Wat met vereening zich dorst vleien, Wat zoo veel heils voorspellen liet! Maar 't was ook dwaas - 't was schier onzinnig Aan vreugd te denken, aan genot: Beleed ik sedert lang niet innig - “Voor mij, voor mij, geen heil, geen God?” Den braven is het leed op aarde, Is ramp, is zielsverdriet, bereid: De vreugden, die ons God bewaarde - Zij zijn de prijs der dorperheid. Voor deugd en zede wacht - bij menschen - Ons koele schimp, of laag verraad; Bij God - verijdling onzer wenschen; En in ons-zelf - een zucht naar 't kwaad!

Komt juffren, steunt mij, steunt de vrome, Die 't leven doorbracht in 't gebed; Voert, voert mij heen naar 't slaapsalet, Opdat de Hel niet tot mij kome, En, spijt mijn sterkte en heiligheid, Uw Ermingard ter afgrond leid!!’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Drie gedichten · J.A. Alberdingk Thijm · Poetry Cove