I.
Een sombre woning, waar ge alom De vensters van betralied vondt, En wie de glans der morgenstond, Wanneer ze Delft in de oogen glom, Eerst laat, en schaars, heur stralen zond - Was Meester Heynricks eigendom.
Daar hield de grijze ketelsmid Zijn huisvertrek en koopkantoor,
Zijn schatten gouds - en, meer dan dit, Een minlijk kind, voor wier bezit Hij, jonk, zijn brave vrouw verloor.
De smidse zwoegde in 't eigen huis, Maar ver genoeg van 't woonverblijf, Dat slechts een enkle reis - 't bedrijf In smedershal en gieterskluis Bespeurd wierd uit haar dof gedruis. -
't Was, voor een meisjen, schoon en jong (Hoewel dier schoonheid niet bewust), Voorzeker geen gewenschte rust - De somberheid, die haar omving, En, als ze 't lievlingswijsjen zong, Verdoovend op haar klanken hing,
Ook was ze vaak bedrukt te moê; En had zij, in heur eenzaamheid. Een uur gesponnen of gebreid, Dan richtte zij den Heer zich toe, En bad, en schreide - tot zoo lang Ze weêr een troost vond in haar zang
Wel hoorde ze, over de enge plaats, 't Verward gewoel der smeltersmaats - Wel zag zij dikke rookkolommen,
Van fel en rossig vuur doorglommen, Die stegen uit de zwarte schouw, En schemerden in 't hemelblaauw: Maar och! wat was 't gesloof dier liên - Hun gaan, hun komen - smeden, stoken - Wat was dat vlammen, was dat rooken, Ras afgehoord, ras afgezien!
En mocht ze maar een bloemtje of wat, Een vinkje of blanke tortel houden, Opdat ze elkaâr beminnen zouden, En zij, ook zij, heur rijkdom had! - Helaas, zij dorst er niet van roeren, ‘Hoe Vader huishield met haar schat, En vroeg: “wat neskheid haar bezatNeskheid: caprice. 't Geveugelt' hier de pap te voêren, Die spijs kon zijn voor volk en boeren!” Hij had zoo streng haar aangezien, Dat zij heur poesjen slechts ter nood Had durven vlijen op haar kniên, En sparen dít voor 't minst de dood!’
Josina was beklagenswaard! Voor haar geen licht, geen bloeiende aard, Geen jeugd, geen liefde, geen toekomen:
Sints lang bepeinsden 's vaders droomen, Naar grootheid hakend als naar goud, Dat eens de aanzienlijkste uiter steden Als evenknie hem hulde deden -Evenknie: gelijke in geboorte, rijkdom en aanzien. Hem, als hun dienstbre steeds beschouwd! Dat Sasbout Pieter van Ter Veer, Een grijs regent, in wiens verplegen 't Benijdbaar aanzien was gelegen - Zijn kind zou zijn ten gade en Heer.
De zachte! 't was en bleef haar zoet Naar 's vaders wil, en vaders wenk Te luistren; 't onderdrukt gemoed Verloochnend op zijn oogenzwenk: Maar sints onlangs scheen haar dat huwlijk (Hoe luttel ze ook haar lot doorzag!) Een vreeslijk dreigende onweêrsslag; En van ontrustend, als ze plach, Vond zij heur toekomst meer dan gruwlijk.
‘Mijn God! is zulk een lot 'et mijn':... Die matte blik, die hooge jaren,... Die grimlach - bij zijn grijze haren... O vader, 't zou ondraaglijk zijn!... Maria! lieve, dierbre moeder!
En gij, Sint-Joseph, mijn behoeder! Wacht mij zoo'n levenslang verdriet? - Ik zal zoo diep rampzalig wezen!... Wat wordt er van mijn zoet voordezen?... Van Ewout... bij dit bang verschiet? - Neen, Heer! neen, gij gedoogt het niet!
Cookies on Poetry Cove