VI.
‘Ziet gij Heer Sasbout daar ginds niet genaken - Kom... laat ons plaats voor zijn zoete-lief maken: Arme Josina!’.... ....................... Maar ijlt zij niet vol drift Ter woning heen? en spreektdat raadslig schrift, Voor 't jong, maar reeds omwolkte voorhoofd. niet van krachten, Die zaalgend waken over 't veld van haar gedachten? Wat of háar, wie de ramp, wie de onspoed van den dag Het diepste treffen moest, nog troost verschaffen mag? - Wat nog heur hope schraagt? - Wat op heur matte trekken ?en hoogen glans van moed en rijkdom mag verwekken?
In 's vaders huis gekeerd, dat nog geen feestgenoot De trage deur der smidse en 't woonverblijf ontsloot, Snelt zij naar boven, en laat blozend aan haar lippen Des dierbren Ewouts naam op zachten toon ontglippen. Zij kent zijn wijkplaats; treedt in de afgelegen cel - Eene ijzing schokt heur hart: ‘Mijn Jezus! zie ik wel! - O God, ontferming! - hij is dood! - hij heeft zijn leven In zielsvertwijfling opgegeven!.... Mijn Ewout! - Ewout!’ gilt ze, en werpt zich naast hem neêr,
En barst in tranen los - zich-zelf geen meester meer; Zij klemt hem aan heur borst, en kust zijn vochte wangen, Of tracht éen zuchtjen uit zijn killen mond te vangen; Zij roept al luider, zonder eind, den dierbren naam.... En - knielend aan zijn zij - vouwt zij heur handen saam, En steeds hém voor den geest, zijn voorbeeld - heft zij de oogen, Waar nieuwe stroom bij stroom uit afwelt, naar den hoogen, En brandend van een liefde, en van een Godsgeloof Dat de aarde ontstijgen kon, der wolken voorhang schoov' Van 't heiligdom des Lichts, Gods Majesteit omgevend, Staart zij den Hemel aan: ‘God!’ roept zij, ‘maakhem levend! O God! ik smeek het U: gij kunt, gij kunt het, Heer! Ik bid, in naam Uws Zoons, geef mij mijn dierbre weêr! Geef hem aan de aard te rug, dat hij ter Uwer glorie Zijn werk volvoeren moog! nog toeft hem eens viktorie Na d' eindelozen strijd. Ach, Vader! Vader! hoor Mijn smeeken: met zijn dood ging al mijn heil te loor. Hoe!’ roept ze, ‘heeft zijn hand - o God! - daar niet bewogen.... Ik voel zijn harteslag - hij zucht - hij opent de oogen: O Ewout! Ewout! - dank, o Heer! - Ik ben 't; Josina-zelf knielt aan uw zijde neêr; Mijn broeder! - dank, mijn God! - En zijt ge mij hergeven....’ De ontwaakte staart haar aan, klimt meer en meer ten leven; Wischt zich het voorhoofd, of 't verleden uur hem treft.... Maar luikt het oog, en zinkt weêr op heur kniën. Hij verheft Den blik niet langer; maar, al fluistrend uitgesproken, Heeft zij een machtig woord den veege doen verstaan:
‘Mijn broeder!’ roept zij, ‘leef! 't is met ons leed gedaan! Ik ben uw zuster, die u lief heb, hoor mij aan: De klok, wier slag u doodde, is met dien slag gebroken.... O God! hij leeft -’ - ‘De Klok!.... wie heeft dat woord gesproken?- Mijn geesel is vernield? - de klok.... spreek overluid Josina, spreek nog eens dat heilwoord uit.... De klok - gebroken?’... - ‘Ja, mijn broeder, en de Hemel Heeft mij in 't hart gestort, dat, van dees stond af aan, Uw moed, door God gesteund, op nieuw aan 't werk zal gaan, Dat thands de middagzon den droeven morgenschemel Voor 't eerst doorlichten zal’.... - ‘Josina!’ roept zijn stem, Verheven englenziel! gij zijt een geest van boven, Gezonden tot mijn heil: O kost gij ooit gelooven Wat eerbied, liefde en teêrheid....’ maar de klem Zijns woords, verloor zich bij dees uitroep; diepe zuchten En tranen zonder tal, die hem 't gemoed verluchtten, Op hare hand geschreid, ontvloeiden hem: doch fluks Zich zelf vermannend, rees hij op, om zijns geluks, Zijns noodlots, in bezielde en half gesmoorde klanken, Den God der heilgenaâ met hoopvol hart te danken.
Cookies on Poetry Cove