III.
En hij? - Hij spreekt haar vriendlijk toe; Hij neemt in scherts en kout behagen, Als of zijn oogen blijder dagen, Dan toen hij, schuw en stroef te moê, 't Verkeer ontweek, verrijzen zagen.
Soms zit hij bij Josina neêr: En drukt zijn kruin geen achtbre grijsheid - Reeds menig tocht en menig keer In 't leven - vormde hem een leer Van God' en menschen vruchtbre wijsheid.
Hij spreekt een taal, aan 't hart gegloeid; Hij spreekt van knopjens, lang volbloeid; Van 't vluchtig, maar geliefd, te-voren; Hoe ons deze Aard aan schijnsels boeit Van 'tgeen Hiernamaals zal ontgloren - En 't meisjen voelt zich als verloren In 't woord, dat van zijn lippen vloeit. Heur spinwiel zwijgt oodmoedig stil: Hij schetst - verhaalt - betreurt - verdedigt; Een gloed in 't oog, de wangen kil; Gebaar en stemkracht, geêvenredigd Aan 'tgeen de ziel herscheppen wil. - Zoo spreekt hij nog wen de avond daalt, En 't meisjen - vaak een traan in de oogen - Hem tegenstaart, en wijd verdwaald In andre sferen opgetogen - Toch, met éen zelfde geestvermogen, Zijn beeld aanschouwt, dat, bleek bestraald Daar altoos neêrzit... en verhaalt. -
Vaak - zijn ze ook samen ter kapel
In 't oude klooster der Klarissen, En toont hij, na de morgenmissen, Haar vluggen vingren 't orgelspel. -
Een andren dag! -. Hij stuurt haar hand In 't sierlijk schrijven van gebeden; En, Meester, schonk hij haar te vreden Zijn rozekrans, als vriendschapspand. -
Maar somtijds is 't een vreemd gevoel, Dat voor zijn voorhoofd staat te lezen; Dan schijnt hij 't pijnlijkst zielsgewoel, Een zucht, een slingring zonder doel, Ter machteloze prooi te wezen: Dan kan hij, zwijgend, naast haar staan; En blikt haar láng en roerloos aan; En lispelt zacht een tweetal namen, Als of hij, van Gods Geest bezield, Daar voor een heilge lag geknield- Met buigend hoofd, de handen samen. Dan wellen tranen hem in 't oog, Die langs zijn forsche kaken branden, En met de palmen van zijn handen Wischt hij, beschaamd, zijn wangen droog.
Maar niemant had nog ooit bevroed - Wat Ewout omging in 't gemoed.
Cookies on Poetry Cove