V.
‘Heeft er de Booze zijn vloek op gesproken?’.... ‘Heeft er een heks ook de hand op gelegd?’.... ‘Is men op Maandag beginnen te stoken?’.... ‘Kan er de schim van een ketter in spoken?’.... ‘Hebben de luiders misschien ze gebroken?’.... ‘Wie is de meester?’.... ‘Wie is de knecht?’....
‘Heynrick van Trier moest ze vormen en smelten!’... ‘Heynrick? geeft niemant, geen werkman het zijn?’... ‘Heynrick van Trier? - 't is een vrek, bij Sint-Velten! Driftig in 't mijnen.... langzaam in 't dijn....’
‘Heynrick van Trier? - 't is welmooglijk, gezellen!’ Riep er een Postknecht met kracht boven uit,
Toen hij de burgers elkaâr zag vertellen, Dat men, gereed ze in beweging te stellen, Plotslijk de klok had te barsten geluid.
‘Heynrick van Trier! 't kan een galgenaas wezen - Maar, bij Sint-Olof! den Jonker gespaard! 'k Weet er geen flinker, geen braver dan dezen! 'k Weet er geen vromer, geen wijzer op aard.
Kent gij 'em niet met zijn pikzwarte hozen? Heeft 'i u nimmer een weldaad gedaan?- Zijdi nooit voor 'em naar 't Haagjen gegaan? Heeft hij uw kindren geen speelgoed gekozen? Kwam zijn gesprek u in 't werk niet verpoozen? Hielp hij u nooit door een vechtpartij slaan? Haal me de droes! 't is een vent als een vaan!’
Hoog vloog de muts van den Postknecht naar boven.. ‘Ja!’ riep de menigte, ‘ja!’ riep een elk, ‘'k Wil meester Ewout zijn eernaam niet rooven.... Kijkt 'i wat somber - ik wil 't wel gelooven - Cijfren te nachte.... des middaags voor d' oven: 't Geeft u geen koontjens uit bloed en uit melk!’
‘'t Is wel een goede en een weldoende buurman! - Laatst, bij de krankte van moeder en vrouw, Bracht 'i me 's avonds - ik schrok er nog puur van -
Meer zoeten wijn dan in eens op het vuur kan... Troost, raad en daad, man, zoo veel als je wou!’
‘Ja, dat is wel! maar, wat Satan! wie dorsten Delf dan vergasten op zulk een schandaal? - 't Is toch een feit, dat de klok is geborsten!’ - ‘Och,’ riep een ander, ‘wat Heeren en Vorsten Zaken, waar niemant ooit oorber bij baal,Oorber: nut (orberen - nuttigen). Niet al, ait wangunst, ten kwade doen keeren!’... ‘'t Al ten jolide van Princen en Heeren!’Jolijd: pleizier. ‘Och, d'er gerecht spreekt zoo'n duistere taal.’
‘'k Zoo di maar raden, dat lastren te staken,’ Gromde de Rijknecht, op orde gesteld: ‘Ziet gij Heer Sasbout daar ginds niet genaken? - Kom, laat ons plaats voor zijn zoete-lief maken: Arme Josina! hoe bleek zien haar kaken!.... Zie - hoe ze reeds hem vooruit is gesneld....’
Zóo snapte 't volk langs de weemlende grachten, Dat, van den glansrijkste' en heuchlijksten dag, Eensklaps voor nevlen, gewenscht noch te wachten, 't Licht zag vergaan bij hun morrend geklag.
Cookies on Poetry Cove