Skip to content
1846

De klok van Delft

J.A. Alberdingk Thijm

I.

't Model was lang vergruisd; de vorm der binnenwande, De kerne, wie nog korts dat prachtig leem bespande, Stond naakt in 't wachtend graf, dat d' opgesperden mond, Door binten, torenhoog, in 't kruis beschreden vond. Zij kráakten van den last des mantels, die verheven In 't snijpuut, eens van daar, met zacht en zuchtend beven, Als dekvorm zinken zou in 's aardrijks sombren schoot. Waar hij zijn wedergade in ijskoude armen sloot, Tot weeldrig vlammende erts zich door zijn hersens spreiden

En hem, verworpling, van zijn bruid zou durven scheiden. Daar hing hij - dalensreê! Maar die had rondgetast Door 't ruim der holte, miste een vorm, nog niet gelascht In 't ijl en stomp vierkant, dat Ewout, bij 't bekleemen En sieren van 't model, geen beeldsel op deed nemen.

Hij-zelf, hij waakte, bij 't verloopen van de nacht, Die, op zijn stil klozet, slechts hem geen ruste bracht. Een schat van kennis, door zoo menig boek omvademd, Dat door den dampkring geurt, waarin hij dorstig ademt, Vindt, hier en elders, ook een zinbeeld in den glans Van speel- en werktuig, die hij raadpleegt; maar wie thans, Vergeten in den hoop der schriften, die ze omringen, De stralende armen eener kamertoorts vervingen. Ter tafel, onder 't helst en schaduwscherpst van 't licht, Houdt Ewout op zijn werk een vuurgen blik gericht: Een holle steenklomp - voelt zijn hand - de trekken - groeven - Van 't edelst - maagdenbeeld. Zijn oog en vuist beboeven Den zwakken omtrek niet, dien 't haastig teekenlood, Eer hij den bijtel dreef, aan 't blanke schetsboek bood. Hij groeft - en onvermoeid! - maar schouwt bij wijle in 't ronde, Of hem iets plotslings trof; of hij een voorbeeld vonde, In vormen, die de nacht rondom hem spreken doet, Voor 'tgeen zijn ijzer etst. Maar neen, dier oogen gloed - Die blos van 't forsch gelaat - dat bleek, waarmeê zijn trekken, Bevochtigd door een traan, zich soms op eens bedekken - Dat staren naar omhoog - dat schreien ‘God, o God!

Ik dank u voor mijn Kunst, mijn Englenheilgenot!’ - Dat prangen van zijn hoofd in de uitgeslagen handen - Bewijst een éedler Beeld, een féller boezembranden, Dan 'tgeen zijn stof aanschouwt, en 't zielloos stof verwekt: Daar zinkt zijn armenpaar; zijn bleek gelaat betrekt Een ongekende glans: ‘Mijn Anna!’ roept hij teder, ‘Mijn Anna, dierbre braid! éens ziet mijn oog u weder - O, weinig stonden slechts, en 't offer is bereid! - Zoo haast mijn Tempelklok haar bronzen toon verspreidt, Klimt ook die toon tot u, in 's Heeren licht gezeten, En roept u toe - ‘of ge Ewout hebt vergeten’, En tart der Heemlen zaligheid. En durf ik, als voorheen, weer smachtend opwaart schouwen, En meenen, dat uw beeld mij daar verschijnen zal - Dan smeekt ge van den Heer, dat Ewouts hecht vertrouwen Niet tot vertwijfling val! Dan zie 'k u, licht, des nachts, mijn rustloos leger naderen, En zetten, met een oog vol kinderlijk geluk, U naast mijn sponde neêr, en storten in mijn aderen Een naamloos heilgevoel.... op d'enklen handendruk. O mocht nog, mocht nog eens mijn hand uw vingren roeren - Die vingren, teêr en bleek, wier vorm, als heel uw-zelf, Mij onvergeetlijk is, en me aan dit stof ontvoeren, Ja, 't wezen schenken komt, in 't Hemelsch Lichtgewelf -

Maar och! waar dwaal ik heen? - gij keert op aard niet weder... En toch... soms grijpt mijn' geest een wonder denkbeeld aan...

Dan meen ik U te zien - als eertijds, schoon en teder, Dan zie 'k uw beeltnis voor mij staan: Dan is 't mij, of uw ziel, meêwarig met mijn lijden, Van uit den Hemel is gedaald, Om mij op nieuw een leven toe te wijden, Dat al mijn liefde niet betaalt.... Josina! - Is zij 't wel? O, zijn dat niet úw vormen Beminde van voorheen, die spreken uit haar beeld? Is dat de goedheid niet, waar gij me meê bestormen, Meê overwinnen kwaamt, die in háar wezen speelt? - Zij lacht mij toe als gij; deemoedig zijn haar oogen Aanhoudend tot mij opgericht - En als zij dan bij mij den blik verwekken mogen, Die eens ú straalde in 't lief gezicht - Dan is 't of gij; gij-zelf, me in geestdrift opgetogen Mijn dierbare eerste jeugd hersticht. O, 'k ben mij-zelf niet meer, wen 'k aan 't geliefd verleden Een eindeloos herdenken wij', En 'k u hervind in haar, die voor mijn ziel, mijn reden, Die zelfde geestdrift toont als gij.

Wat mag dat hart, dat maagdenhart doorwoelen - Geheim vol bittre vreugd en streeling van 't verdriet: Mijn liefde is uwer.... maar wat kan mijn ziel gevoelen Voor haar, die mij uw beeld in deugd en schoonheid biedt? Mijn Anna! smaad, o smaad mijn duistre zwakheid niet!’

Dus was zijn laatste woord; en voor den tijd herlevend, Wischt hij zijn kaken droog, grijpt stift en hamer weêr, En met een sterken geest op 't wordend kunststuk zwevend, Zat hij, voor spijs noch rust zijn dierbaar werk begevend, Daar achttien uur ter neêr.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De klok van Delft · J.A. Alberdingk Thijm · Poetry Cove