III.
Hij was een eerlijk Edelman, Een Mechelsch Bachelier, Meer kunstenaar dan oorlogsman, Zoo vreemd aan dweep- als roofgespan; Geen baatzucht bracht hem hier.
Hij was een jonkman, zacht van aard, Schoon moed en geestdrift rijk; Geen roffiaan, geen kreegelaart, Die meester Ewout - thands vermaard In stad en buitenwijk.
En toch, alóm weêrklonk zijn naam, En - met zijn naam - de ‘kloosterdaad’, Die, luid bezongen door de faam, Hem engel noemt en booswicht saam - En glorie brengt of smaad.
Maar hoe de rederijkersbent Hem luid berijmen zou - In kreeft- en klinkdicht looft of schendt En daden toedicht of miskent - Hij bleef zich-zelf getrouw:
Josina zat in 's vaders huis, Geknield bij 't lichtend vensterraam; Verzekerd tegen 't woest gespuis, Dat reeds zoo menig kerk en kluis Ontwijdde in 's Heeren naam.
Zij dacht aan Ewout en 't verleên - Zijn heil, haar levenszon; En peinsde door de toekomst heen, En vroeg, ‘hoe hij zijn zaligheên Zijn klok volmaken kon!
Van waar toch de erts? Van waar 't latoen? De spijs, die nog ter vorm ontbreekt? - Zij - 't vreeslijkste aller offers doen? Naar Sasbout, naar den rijkaart spoên, Die toestemt, wen zij spreekt? -
O, Ewouts leven, Ewouts heil Is meer dan 't hare waard - Heur eedle liefde kent geen peil - Zij hadd’ voor hem haar zielsrust veil, En alle vreugd op aard!...
Maar - durft zij bij het zoet geloof Niet stilstaan, dat zijn broederhart, Voor levenslust en kunstzin doof,
Haar, wierd zij Sasbouts wisse roof, Gedenken zoudc in smart?
O! 't is geen aanspraak, 't is geen recht.... Zij cischt zijn hart niet; neen! - Maar toch - zijn oog heeft haar gezegd, Hoe Sasbout, hoe diens heilloze echt Ook hem niet wenschlijk scheen.
En zou zij', pleit haar zwak gemoed, Terwijl een blos verborgen wordt, ‘Dan wagen dat heur maagdenvoet Een vreeslijk dure schrede doet - En Ewouts heil verkort? -
Niet, dat een offer ooit - voor hém Te pijnlijk wierd gekocht, Die, zelfs al zweeg een teêrder stem, De Erkentnis met den strafsten klem Ter voorspraak dagen mocht!
Maar o! - heeft hij wellicht alleen Zijn leven niet voor haar gewaagd, Wijl zij hem dierder was dan een? - En 't leven hem onzalig scheen, Zoo zij 't niet met hem draagt?
“Ach!”’ roept zij, en een heete vloed Van tranen biggelt uit haar oog, ‘Ach, dat mijn krachtcloos gemoed (Wat stil verwijt mij huivren doet!) Zich-zelve niet bedroog!
O Sancte Joséphe! mijn heilge patroon! Ach laat mij, ik bid di, mijn dwaling zoo schoon! Ach, smeek van den Heer, dat mijn stervensuur dage, Aleer ik vertwijn bij dien vreeslijker slage. Hij laat mij mijn liefde! - Hij keere toch niet Mijn eenge geneuchte, in mijn eenig verdriet! - Door haar is de zon, die bij 't morgenontwaken Heur stralen het loof om mijn venster laat blaken, Door haar mij de dauwdrop en 't vogeltjen lief, Wier glansen mijn jeugd tot haar beelden verhief.
Ik heb u de zwakte mijns harten beleden - Ach, laat mij, ach, laat mij mijn hoop en mijn beden! Ik stond voor geen waereld dien zielenschat af: Gelei' me, aan Zijn zijde, mijn wenschen in 't graf.’
Zij voelt, nog naauw haar beê volendend, Zich meer getroost, of, zachtkens wendend, Ontzet ze, op 't onverwacht gezicht Eens achtbren grijzaarts, die zachtmoedig Haar tegentreedt. Zijn oogenlicht,
Zijn glimlach, waardig, kalm en goedig - Zij hadden bij zijn kruis en kleed, Dat hem als priester kennen deed, De maagd gestemd tot zoet vertrouwen, Ook zoo zij niet reeds menigmaal Uit dezen mond de gulden taal Der hooger wijsheid mocht aanschouwen: Maar vader Peter was bekend Bij elken burger - als de kerken En 't aan zijn zorg betrouwd konvent, De wijngaard, waar hij voor mocht werken.
Wie vergezelt hem? - Ewout is't - Verheugd, als of alleen 't verschijnen Zijns vromen vriends reeds had beslist, Dat zorg en onrust zou verdwijnen,
‘Mijn dochter,’ vangt de grijzaart aan, ‘Gij ként den jongen vriend uws vaders: Hij heeft ons klooster dienst gedaan, Door kerk- en tucht- en eerversmaders Manhaftig van 't gesticht te slaan. Heeft hij voor u, zijns meesters kind, Niet zelfs gekampt met lijfsgevaren!... O, wil in daden dan verklaren, Dat ge u tot dankbaarheid verbindt.’
Josina weende; 't lieflijkst rood Klom tot haar voorhoofd op en koonen, En zeide, ‘dat zij nooit kon loonen, De hulpe, die haar Ewout bood.’
‘Gij kunt!’ sprak Peter; ‘hoor mij aan; De zware kerkklok moet hersmolten: Maar zie - twee groote koornemolten Vol koper zullen níet volstaan, Om, naar den eisch van 't klokmetaal, Den vormen al haar wicht te gunnen; Maar Godvrucht toeft een zegepraal: God zond er, die ons helpen kunnen. Reeds heb ik menig gift vergaârd; En als de Heer het wil gehengen Dat wij 't begonnen werk volbrengen - Zinkt weldra 't vlot metaal in de aard.’
‘Hoe!’ riep Josina, ‘is 't geen schijn? Gij, Vader, brengt ge ons zoo veel zegen?’ - ‘Ja, zuster,’ juicht haar Ewout tegen: ‘Mijn leven zal niet vruchtloos zijn. Is Vader Peter, de eedle grijze, Niet bij de burgers rondgegaan? Deed bij ten kansel niet verstaan, “Delft haar godsdiensttrouw bewijze!”
Reeds heeft men weeldrig huisgeraad, Reeds zilverwerk en koperstaven, Naar ieders rijkdom, stand en staat, Bij éen gebracht, in vrije gaven.’
- ‘En daarom koom ik thands tot u,’ Sprak Vader Peter, ‘dat Josine, Bij zulk een vrome zaak als nu, Den naam van dankbaar kind verdiene!’
- ‘Ach!’ riep het meisjen, ‘waar' een schat Ter waereld in mijn zwakke handen - Het meeste, 't minste, wat ik had, Wierde in dit nur erkentnispanden - Gij weet 'et!, Ewout!’ - - ‘'t Zou, voorwaar!’ Sprak deze zachtkens, ‘mij op heden Een zoete vreugd zijn, zoo we elkaâr Josina, onze schuld voldeden! - Een gaaf van u in d'ovenbrand, Tot vloeibaar klokmetaal ontbonden, Bracht, van den diersten vriendschapsband, Een vroom gedachtnismerk tot stand, Ontzien - geheiligd - nooit geschonden!’
- ‘Wat denkbeeld!’ roept ze, en vat de band Van Ewout met ontroering aan:
‘Mijn moeder heeft me een gift gedaan - Dees breede gouden halskarkant, Mijn eenig siersel! 't moog voortaan Ter eere Gods bestaan! Die wensch drong lichtend me in den geest; O, weiger 't dierbaar tooisel niet: 't Is nooit zoo wel bewaard geweest, Dan waar 't in 't klokmetaal vervliet, En de englenschaar 't, op ieder feest, In zoeten bedetoon, den Heer ten offer biedt.’
‘God zij geloofd voor uw besluit!’ Riep Ewout met den grijzaart uit:
Van schooner klank, van forscher noten, Werd de ijzerkromming nooit bezield - Dan toen de Wetenschap haar heiligdom ontsloten, De Geestdrift lijdenszweet en tranen heeft vergoten, De Godsdienst - Liefde en Hoop - er bij heeft neêrgeknield.
Cookies on Poetry Cove