Skip to content
1846

De klok van Delft

J.A. Alberdingk Thijm

I.

In Oogstmaand van het eigen jaar- Zit, bij een weiflend nachtkaarsflikkeren, Rond meester Heynricks kandelaar, Een tweetal mannen bij elkaâr, Wier knippende oogen lustig blikkeren, Bij 't proeven van den zoeten sek, En 't fluistren van een lang gesprek

In 't groen behangen woonvertrek. De een - is baas Heynrick in persoon; Hij schijnt te denken over zaken Die 't rimplen van de forsche koon, En 't handenwrijven noodig maken.

Hij luistert naar de scherpe stem Zijns dischgenoots, wiens trage reden, Schoon hoogst behoedzaam voortgegleden, Den diepsten indruk maakt op hem. Althands de man, een dorre grijze, Staart, met een blik vol eigenwaan, Met krommen vinger, ten bewijze Van 'tgeen hij Heynrick deed verstaan. Den meester aan.

De vreemdling toont een kalen schedel, Gesteund door 't zwart fluweelen pak, Dat, beter dan zijn grinkelbak En pruilend oog, hem rijk en edel, Of, voor 'et minst, aanzienlijk sprak. De handen in de troes gestoken,Troes: broek Henri III. De maagre kniën voor zich uit, Waarop de scherpe kin schier stuit, Heeft hij zijn laatste woord gesproken,

En wacht baas Heynricks kort besluit.

‘En dus!’ roept deze met een zucht, ‘Wilt gij, hardvochtig in 't kastijden, Slechts op dien koop de schade lijden! - Ach, waarom is ook de onde tucht Vergaan met de oude, beetre, tijden!’

‘Ja, meester Heynrick,’ sprak de grijn, Al lisplend door zijn schaarsche tanden: ‘Gij stelt het meisjen mij in handen - En mijner zal het nadeel zijn. 'k Verschaf, wat aan het werkstuk schort Van vormen en materialen; En schiet ge volk en brand te kort - Ik zal den laatsten groot betalen, Opdat de Klok hergoten word; Daarmeê zij dan de zaak gesmoord - De bengel was van zelf gesprongen.... Doordien... het een of ander koord.. Haar uit 'er standplaats had gewrongen.... Dit is u 't zelve: maar - de maagd Moet eerst mijn teder gaaiken wezen - Daar 'k anders (u ter eer!) zal vreezen, Dat gij, door dankbaarheid geplaagd, Mijn gunst zult loven als voordezen,... En, 'tgeen mijn oodmoed niet vordraagt,

Te luidkeels van mijn mildheid waagt. Komaan - zoo'n meisken voor een Klok! - Bij Sint-Ambroos met zweep en stok! 'k Ben van mijn aanbod zelf verwonderd: Een achttien-duizendpondig brok Voor 't meisken van ten beste honderd!.... En - menig goudstuk moet geteld, Eer gij de Klok voor goed herstelt.’

‘Ach, ach, Heer Sasbout!’ riep de smid, ‘'k Vermag thands niets meer op de deerne: Hetzij ik dreige, of vleie en bid, Haar zweer, wij-beiden wilden 't geerne - Een jongensblik weegt meer dan dit:

Ze is op dien Ewout als verzot; Ja, 'k mocht haar, op uw wijs gebod, In 't Klooster van Sint-Clara sleepen.... 't Was reeds te laat ons heil begrepen! - Want - neen! - 'k vertrouw ook hém niet meer... Wáartoe haar beeld in steen gedreven?.... Zoo'n konterfeitsel tuigt te zeer Hoe ze, ook bij hém, staat aangeschreven!... En - zien ze elkáâr al nimmer weêr - Ze ontkwam ook óns in 't kloosterleven!’

‘Ho!’ lonkt heer Sasbout, want hij-zelf

Was de oude gluiper, dien wij hoorden, ‘Geen tralieraam en kloosterwelf Die ooit mijn teedre wenschen stoorden. O - neen! bestreden zorg verfraait De feestlijkheid der huwlijksdagen; En zult gij nimmer 't u beklagen, Noch mij er rekenschap van vragen, Dan laat ik, eer het haantjen kraait, De maagd uit kluis en klooster dragen: Dat waar een kluchtspel! - kom, vriend Heyn! Sla toe! - want is 't een uurtjen later, Dan, bij de wangen van mijn pater! Betaalt gij-zelf de massepein.De massepein: de klokspijs. 't Zal deftig in uw geldkist boren.... Vrij wat metaals gaat nog verloren, Eer gij de Klok hergoten hebt. -

Wat ik u dan ten raad wou geven, Als gij de spijs in d'oven schept - Zou dan... die jonkman.. van zoo even, Die Ewout, die zich, naar 't mij schijnt, Te veel bemoeit met andrer zaken, Niet tot een brandhout zijn te maken, Dat, bij geval, in de ovenvlam verdwijnt?...’

Hij ging nog op zijn voorstel door, Toen, als getroffen met een hamer, De grendel van de deur der kamer Te barste sprong - wie treedt hun voor? - 't Is Ewout: zijn manhafte blikken Doen 't schuldig paar in 't hart verschrikken.

Wel woonde er drift in Heynricks borst - Wel had hij vaak, uit gierighede, Gewetens-angst en leed getorst - Opdat zijn ziel heur trek voldede - Wel had hij Ewouts kunst benijd - En voedde hij een wrok van binnen, Die dikwerf spookte door zijn zinnen, Voor 't vroeger hem gedaan verwijt - Wel zag hij 't schijnbaar voordeel in Josina 't beeld van haar gedachten Te ontrooven - 'tgeen haar stuurschen zin Voor Sasbout mooglijk zou verzachten - Wel zag hij met een heimlijk pak Zijn levenszorgen nog bezwaren, Sints hij Josina dacht te ontwaren, In 't beeld dat Ewouts bijtel stak: Maar toch - hij gruwde voor dat feit, Met beter dan 't gevoel des blooden, Die, bij den aanblik zijner dooden, Hen úit lafhártigbeid beschreit.

‘Zijt gij 't baas Heynrick? - niet te bed?’ Sprat Ewout; ‘'k wist, dat gij gewoonlijk U opsloot: acht het dus verschoonlijk Zoo 'k, bij mijn laatsten steveltred, Wat kracht en ruwheid heb gezet! - Een woord slechts! - 'k Ben een uur geleden Door 't Voorhout van den Haag gereden: Een schare volks was daar vergaârd, Die, zoo 't mij scheen, een preêkdienst hielden, Doch midlerwijl de Kloosterkerk vernielden, En sleurden beeld en kruis ter aard; 'k Heb (God vergeve ons!) ruwe handen - Het Allerheiligste aan zien randen, En Christus treden met den voet; 'k Heb, in godslasterlijke kreeten. De schennis en 't geweld godzalig werk zien heeten, Bij 't zinloos juichend roofgebroed, Dat schuldig is aan 's Heeren bloed...

Gerobulus - een van ‘de nieuwe leering’, Preêkte in 't geheim het volk de ‘vrijheid’ aan, Opdat, in naam van ‘licht’ en ‘reformeering’, Ook Delf- en Rhijnland ondergaan De rampen, in Breda en Zeeland doorgestaan. Zij naken reeds de stad; zij plundren, rooven, schenden... Ik vloog het eerst tot u - wijl zij gewis hun benden, Ter waapning van hun vuist met moker en geweer,

Het eerste richten naar het smidshuis: maar veeleer Dan dat gij hun weêrstaat in noodloos krachtverspillen, Vlieg naar uw bergplaats; neem daar mínder dan zij willen, En zend er hen meê voort. Twee knechten, in de vlucht, Zijn herwaards aangesneld: ga, zeg hun, wat zij zullen! Voor mij, 'k heb reeds te lang en zonder zichtbre vrucht Ter dezer plaats vertoefd: 'k ben voor iets wreeds beducht - En moet nog dierder plicht, eer de uchtend naakt, vervullen!’

Zoo sprekend ijlt hij voort, en laat den geest des kwaads, Die 't ook der lafheid bleek, hen keetnen aan hun plaats.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De klok van Delft · J.A. Alberdingk Thijm · Poetry Cove