II.
Voor veertien weken toog te nacht Een jeugdig Mechelsch Kavalier De Delfstad door, langs gracht bij gracht, Tot hem zijn trouwe klepper bracht Voor Heynricks deur van Trier.
En - wie den vreemdling niet ontbood! - Hij was, sints veertien weken lang, Des ketelgieters huisgenoot; En veertien weken viel de dwang Van 's vaders gierig zelfbelang Josinaas hart zoo bang.
De vreemdling was geen hellevorst, Verstaald bij balg- en hamerslag;
En had nooit grover last gelorst Dan 't goud der keten op zijn borst; En 't ijzer van zijn dagg':
Maar echter steeg hij dikwijls af Ter plaats, waar 't vreeslijk bekken bruist, En scheidde er vlammende erts van draf, En voerde er schop en bootsersstaf, En trok de vormen júist.
Reeds was er menig keer voorbij, Waarin bij, 's morgens en te noen, Aan Heynricks en Josinaas zij Een kort en sober maal kwam doen: Reeds had de grijzaart menig nacht Des vreemden koel, ja stuursch, bescheid In slimme blijdschap overdacht; En 't voor zijn vaderplicht bepleit, Dat geen gevaar verbonden ging Aan 't woeker-kostgeld - zacht verdiend Van d' ongenooden tafelvriend; En 't ketel, klok, of goteling,Goteling: zeker stuk geschut. Geen rijkdom was, door 't echtverbond, Die meester Ewout herwaards zond: Reeds werd er menig zucht verdoofd
In 't schuldloos hart der lieve maagd - Een zuchtjen, dat een weêrzucht vraagt, Ofschoon ze zelve 't niet gelooft: Reeds was een vriendschap voor 'et leven In haar en Ewouts hart geschreven - Aleer de gast zijn effen groet - Den morgenwensch en 't ‘goede nacht,’ - Met eenig woord van roem of klacht, Als heusche toespraak, had verzoet.
Bij wijlen zat hij uren lang In eenzaamheid ter bovenkamer, Van waar een lieflijk klokgeklang, En snaartuigtoon, of zacht gezang, 't Geluid van vuurbrand, zaag, en hamer, Dan flaauw weêrklonk in de enge gang. En als hij dees zijn cel verliet, En nog, al peinzend, bleef doorlezen De cijfers, bogen, kegels, pezen... En 'tgeen Josina in 't verschiet Hem had zien schetsen - dan verried Zijn doffe blik, en doodsbleek wezen, Dat hij, als meesttijds, dag en nacht In moeizaam werk ten einde bracht.
Maar, nu ze elkander minder vreemd, Ja, bijna broeder zijn en zuster -
Wat is 't een voorzorg, die zij neemt, Opdat hij, stoorloos en geruster, Ook in de huiszaal toeven blijf, En aan haar zijde peins en schrijf! Want o, zijn aanblik, zijn nabijheid, Zijn ademtocht, zijn nietigst woord, Ze zijn háar - weelde, leven, vrijheid; En had natuur haar eens bekoord - Thands, ver van hem, geen bloeiende oord, Geen weg, die niet ter woestenij leidt! Mét hem is 't Hemel! - Werd het uur Van 't middagklokjen soms vergeten, En heeft ze alléen haar dag gesleten - O, welk een nooit doorleefde duur!
Cookies on Poetry Cove