Skip to content
1846

De klok van Delft

J.A. Alberdingk Thijm

II.

En toen hij achttien uur gewerkt had, en gebeden, Gebeden, dat hem God in d' arbeid steun en sterk - Toen hoorde men door 't huis zijn snel gejaagde schreden, Langs smidse en gangportaal, en 't binnenplein betreden, Met de eedle vruchten van zijn werk.

't Was nacht ten tweeden maal; geen enkle star verlichtte Zijn korte pad van Heynricks huis Ter gicterskluis, Waarheen zijn kloeke stap en hartewensch zich richtte. Geen hooger vreugd was ooit zijn' geest Ten deel geweest: Hij ziet het dierbaar beeld reeds in de kap verborgen; Blikt in den geest den toestel aan; En 't harte zwelt van vreugd bij 't peinzen aan den morgen, Die, op zijn scheppend woord, die, bij zijn meesterzorgen

't Metaal den schoot der aard ten leven in ziet gaan... Hij denkt ook thands niet aan de zwarte rookkolommen, Die, uit de breede schouw, in saamgepakte drommen Ten hoogen hemel klommen; Hij merkt niet op, hoe van 't gebouw de minste spleet In muur en vensterluik, een vuurstraal schittren deed, Er nooit, dit uur, gezien; hij stoot de valdeur open, Maar - binnen 't wijd vertrek geloopen - Wat schouwspel treft zijn oog, benevelt hem 't gezicht, Schoon 't lichterlaaie brand van 't stookfornuis verlicht! Hoe staat hij siddrend daar, en laat zijn beeldwerk vallen, Bij d' aanblik diens tooneels! - de luidste kreeten schallen Door 't ruim der hut; een dertig knapen, zwartgeblaakt En gloeiend bij de hel, die vreeslijk bruist en kraakt In de ertskamijn, omgeven d' oven, waar een teeken Van Meester Heynrick straks eene uitgang in doet breken, En 't leigat openstelt.... Daar staat de Meester-zelf, Een schepspaan in de vuist: geen trotscher leeft in Delf Dan hij, terwijl hij luid, en lachende van weelde Den knechten tegenschreeuwt, die hij bij 't werk verdeelde: ‘Wrikt los den tap, breekt door! en stroom de wilde spijs, Geproefd en wel doorstookt, in 't harte van d' abijs!’Abijs: abyssus, abîme.

Hoe! 't is dan waar? - daar bruist, daar golft, en gloeit en dartelt De stroom van 't klokmetaal, den ovenklem ontsparteld,

En dringt zich door 't kanaal? en 't volgetrapte graf, Dat vorm en kap ontving, laat in zijn kolk hem af? Hoe! Ewouts levensdoel - zijn toekomst, zijn verleden - De werken van zijn jeugd en jonglingschap, doorstreden In slopend zielsgekwel - zijn afgod - heel zijn schat - Al wat zijn wezen goeds, en groots, en schoons bevat - De lang gekweekte vrucht van ieder zielsvermogen, Werd dan verwoest, onteerd, geschonden voor zijn oogen? Aan 't maagdlijk schoon zijns werks, zoo pijnlijk opgevoed, Nog pas ontwikklend - werd de vuige lust geboet Eens ruwen handwerkmans, onmachtig ter waardeering Wat schanddaad hij beging, en wreekbre kunstschoffeering In 't rooven van zijn recht aan Ewout, de eedle ziel, Wien de onverhoede slag te zwaar, te duldloos viel: Daar stond hij als versteend; daar schouwt hij woest in 't ronde - Richt naar zijn laatste werk een diepen blik ten gronde - En toen, ten top der drift, vliegt hij op Heynrick toe; Kruist de armen voor de borst, en schijnbaar kalm te moê, Spréekt hij - terwijl zijn stem, met ongekende buiging Al de andre zwijgen deed, in 't volst der vreugdejuiching: ‘Wat hebt ge u onderstaan, mijn meester? - Zoo gij wist, Wat ongetemde kracht in dees mijn boezem gist - Schoon nooit mijn effen hoofd u andre trekken toonde Dan die van deernis en van koelheid: o! dan hoonde Gij me in dien graad nog niet! want zie! naar 'tgeen 'k besef, Verdient gij, dat mijn wraak - mijn felste wraak u tref... Of - hóe de gruweldaad te straffen, hoe te dulden,

Dat ge, om een handvol slijks, om “tien karolusgulden”, Ter boete u afgevergd, zoo nog de morgenstond Des Derden na Sint-Jan, uw klok in de aarde vond, Mijn arbeid hebt volbracht!... Mijn arbeid - lage ziele, Wie nooit eens kunstnaars doel in stikziende ooge viele! Mijn arbeid! - Hoort ge dit? - Spreek!.. Voelt ge wel 't ver- “Dat ik een kunstnaar ben; dat gij een huurling zijt”? (wijt, Ja! vuige huurling slechts; ontrouw zelfs: niet bevredigd, Door 't werkloon, u geteld, hebt gij mijn éer beleedigd; Hebt gij mijn levenskracht, de vrucht van hart en hoofd, Het edelst wat ik had, me ontroofd....

Maar ach... wat woede ik voort! - Godschonk uw armen zinnen Geen dorst - dan die van 't goud; Geen moed - dan, zoo gij de eer van 't werk ontberen zoudt, Om die door laagheid me af te winnen...

Wat-weet-gij, welk gevoel... wat liefde ons houdt verknocht, Aan 't kind, uit ons ontstaan, aan 'tgeen men scheppen mocht, En kweeken 't zorglijk op, met bloed uit eigen aderen!.... O kónde uw lome geest ook ooit dat denkbeeld naderen - Dan sleepte ik lang uw vadzig lijf In fraaier schouwspel dan 't aan míj vertoond bedrijf: Dan greep mijn arm (gelijk ik thands deze ijsren stave, Met éenen zwaai en stoot, onwrikbaar vast begrave In d' aarden grond), dan greep mijn arm u in 't gemoed, En sliet u van zich af, in d' open-ovenvloed:

Maar 'k spaar u, om aw kind, Josina, de edelaarde - Schoon gij, ontmenschte, gij, mijn zielenkind niet spaarde!’

De Meester stond verplet; hij zag, met schichtig oog, Nu eens de roede ná, die door de ruimte vloog, Een pijl gelijk zich keerde, en davrend boorde in de aarde - Dán weêr den jongling áan, die somber voor zich staarde, En ongevoelig scheen voor 't nokkend leedgeschrei Des grijzen bloodaarts; die hem smeekte dees korvei, Ten beste alleen bestaan, ten beste ook hem te duiden, En meê te juichen in 't vervroegde kerkklokluiden: ‘Ik heb u nooit gekweld: 'k gaf nimmer, al dien tijd, U stof tot kommernis; 'k erken uw kunst en vlijt: Gij hebt de klok gebouwd; en - wat van 't smelten schijne - Uw naampraalt, Jonker, straks in 't randschrift naast den mijne’..

‘Mijn naam!’ borst Ewout uit, ‘mijn naam, o Heer, mijn God! De naam mijns vaders - aan heel Nederland ten spot! Heeft hij 't aan mij verdiend, die de éer mij schonk bij 't leven, Dat ik zijn erfgeschenk aan 't volk te schand' zou geven! Of, meester, ziet gij niet, wat gij doorgronden moest, Dat gij mijn naam verspeelde, en met mijn werk verwoest! Ziet, meester, ziet gij 't niet,’ en dreigend wees zijn vinger Naar 't hoog getimmert' heen, ‘dat gij den takelslinger Te heftig nederwondt, en dat de kap in 't graf, Met ongelijken val de binnenvorm omgaf?... Bevroedt gij 't niet, dat gij mijn dagen en mijn nachten -

Doorwaakt, om, in een lijn, een bocht, mijn zielegedachten Te schildren, hemelschoon - door vorm als door geluid - Dat gij ze vruchtloos maakte, en dat, ter aarden uit, Een monster, walgelijk voor menschlijke oor en oogen, Mij eenmaal tegengrimt? - De klok, aan de aard onttogen - Wanluidend en misvormd - een open vak, voor 't beeld, Dat ginds ter aarde ligt - komt, wen zij de ooren streelt Van die den kunstnaarhaat, mij 't aangezicht bedekken Met schaamte voor den lach, dien steeds haar toon zal wekken, En luidt, met schrale stem, ter eeuwger stond bij stond, Heel Delfland Ewouts schande, en onvermogen, rond!...

Maar - God moog u het kwaad, aan mij misdaan, vergeven! En laat mij ('k smeek 'et hem) mijn werk niet overleven!’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De klok van Delft · J.A. Alberdingk Thijm · Poetry Cove