V.
‘Josina!’ riep ook Ewouts woord, En 't helder licht, de vreugdevonk, Die in zijn eedlen opslag blonk, Had plotsling uitgegloord. ‘Wat deert u?’ was zijn heusche vraag: ‘Gij beeft; uw handen zijn als steen; 't Was toch geen droom, geen zwarte plaag, Die voor uw oog verscheen? - Hoe, zuster, nog zoo laat beneên? En hoe zoo gants alleen?’
- ‘Alléen? - ja, broeder!’ fluistert zij: ‘'t Is niet vergeefs gezegd: - De tijd.... ging vreeslijk loom voorbij: Maar - wat ik bij uw afzijn lij! - Had ik op schooner feestgetij Op zoet gezelschap recht?... O, nu 'k uw beeld weêr naast mij zie, En nu 'k uw trouwe stem Weêr de aandacht eener zuster biê - Hoe droef een dag mij kwelde - zie Ter nood gedenk ik hem.’
- ‘Josina! leg uw goedheid af!’ Riep Ewout blozende uit: ‘Zij baart mij al te hard een straf: En 't leed, dat u mijn woordbreuk gaf, De rouw, die 't mij nog lang verschaf, Wischt ál mijn misdaad uit.’
'k Beken mijn schuld - 'k beken mijn schuld! - Maar, zoo gij 't broederwoord gelooft - O, blijke u, dat mij hart en hoofd, Schoon van uw zoet verkeer beroofd, Niet werkloos bleef, nog onvervuld.
Ik ben reeds van van morgen vroeg, In 't arbeidsjuk gekromd geweest. - De kortste Mis, in spijt van 't feest, Was meer nog dan genoeg: Maar denk niet - denk niet, dat mijn zin, Vervreemd van God en de Eeuwigheid, Op wuftheên zich heeft toegeleid, Of slaaflijk koopgewin: Neen, neen! - God-lof! mijn groote werk, Een arbeid is volbracht Ter eere Jesu en zijn Kerk; Te teeknen met een dierbaar merk, Voor tijd en nageslacht!
Josina - neen - gij ziet niet in, Dat mij geen dwaasheid stiert - Mijn woorden hebben kracht noch zin: Maar gij - mijn zuster, mijn vriendin - Gij zult het weten, wat ik min, Wat mij ter vreugde wierd:
- Wie van zijn vroegste kindschheid aan Naar kennis en ontwikkling streefde: Míj klonk geen Woord - ten zij verstáan; Mij mocht geen Kleur, geen Klank, vergaan, Die 't zielsgevoel had aangedaan, En rustloos in mijn boezem leefde. Dat denkbeeld - ware 't klank, of kleur, Of bloot begrip, of flaauw gevoelen, Bleef in mijn zwangre hersens woelen; En, schoon 'k er veel meê mocht bedoelen - 't Ging nimmer mij geheel te leur, 't Bracht andre beelden, andre vormen, 't Bracht nieuwe leer en kennis voort; En voelde ik ook mij-zelf, den zwaksten van Gods wormen - 'k Bleef dag aan dag, in oord bij oord, Den Hemel met mijn beê, mijn kinderbeê bestormen, Opdat mijn zielswensch wierd verhoord: Opdat de Liefde, die 'k daar binnen voelde leven - Die mij, tot zwakheid toe, aan 't oudrenpaar verbond,
De Liefde, die mij 't Schoon met geestdrift aan deed kleven, Waar 't, uit der menschen Ziel, in 't Lichaam scheen te zweven, Of 't oog 't in 't wijd gebied der Waereldschepping vond - De Liefde, die met vuur, met nooit getemd verlangen Mij tot ontraadsling dreef van Rede en van Natuur, Die slechts een vóorsmaak proefde, in Vormen en Gezangen - Opdat die liefde - vrucht, ontwerpkracht mocht ontvangen: En 'k gouden beelden schiep uit stollend boezemvuur!
'k Heb jaren lang getracht, die dorst, die zucht, die liefde, Te wijden aan een beeld, of hier of ginds ontmoet: 't Was zij, die ziel en zin, die 't kokend hartebloed, Won lesschen in den damp der wolken, die zij kliefde, Als zij ten Hemel greep, naar 't ongekende goed.
't Was al vergeefs! maar eens - een droeven dag mijns levens! - Daar trof me een wreede slag, oneindig lang beschreid: Toen werd mij zachter lot, en kalmer harte tevens, Van God bereid: Aan 't ziekbed vastgeboeid, bezwijkend voor de rampen, Wier wicht mij schier deze aard, mij 't aanzijn vloeken deed, En met nog zwarter kwaal in 't ijskoud hárt aan 't kampen Dan dic mijn lichaam sloopte, ontviel me een duren eed. 'k Beloofde aan God den Heer, als hij mijn ziel wou schenken De vreugd, de zaalge rust, zoo ijvrig achterjaagd - Met minder bittren kelk den stroeven mond wou drenken - Voor hem een werk te doen, dat rijke vruchten draagt;
Dat eeuwen, eeuwen lang Zijn Glorie zal verkonden; Den Mensch tot Liefde en Weldoen spoort; Dat spreken zal van God, in God vergeten stonden, Met onverdoofbre stem, door heel een volk gehoord! ................. Daarbij - 'k betreurde veel: en zoo mijn dierbren schimmen Een eermerk rijzen mocht, dat de eeuwen trotsen zou - Dit deed mij meer gerust den levensberg beklimmen, En staren in het verschiet naar nieuwe waereldkimmen, Bij 't zinken van 't voorheen, in dús voltogen rouw.
In Delft had volk en magistraat Een heerlijk, godgevallig werk, Ter eer der Hippolyeten kerk, Besloten in hun raad. Een klok, zoo machtig en zoo schoon, Van boog, van beeldwerk, en van toon, Als in uw land geen toren draagt - Werd van uws vaders kunst gevraagd.
De Klok! - zij was het lievlingsbeeld, Wiens duister voorgevoel mijn ziele had gestreeld!
De Klok, die boven 't stormgerucht, Zijn toon doet heerschen in de lucht - Die ons tot God, ter kerke, noodt - In vreugde en lust, verderf en dood,
In bruiloftslied, of uitvaartpsalmen, Den rijken toon mengt van zijn galmen - En, boven 't stof en 't stoflijke uit, Een onvergankbren staat beduidt - Die, buiten 't aardsch gewoel geheven, Méer dan de priester hier in 't leven, Gezalfd, gedoopt ten eersten tolk Des Heeren, bij 't onteenigd volk, De stem des Heeren zelve schijnt Die 't hart bevestigt, wen 't verkwijnt - Die telker uur zich kenbaar maakt, En uitroept, uitroept, ‘Bidt en waakt’ - Die langs de velden, schaars bewoond, 't Verloren schaapjen tot zich troont - De stem, die zelfs in nacht en graf Den leer preêkt, dien 't Geloof ons gaf - Die, hoe vermomd, en wáar wij vliên, Herhaalt - ‘Gij wordt van God gezien?’ -
De klok - het beeld der Harmonie - Waar streng Verstand, en teêr Gevoel, Waar Maat, naar Vorm, en Melodie, In samenwerkt tot hooger doel:
De klok, die, en voor God en Mensch, 't Verstand Metalen af doet scheiden, Of binden leert, naar wenk en wensch,
Opdat ze in Klanken zich verbreiden; 't Verstand, wen 't afmeet en bepaalt, Getal en Wicht, tot Toon doet vleugelen, Den wilden Klank, in Vorm gemaald, Ten schoonste' akkoorden laat beteugelen -
De klok, die, zoo voor God als Mensch, 't Gevoel doet spreken in de Tonen, Die gonzend uit zijn wanden dronen, Als kroost eens dubblen elements; 't Gevoel, den zielenadeldom, Weet uit te drukken in zijn Bogen, En in zijn Beeldsels van rondom Zich leent aan 't hoogste Kunstvermogen -
De klok - die, zoo voor God als Mensch, De kracht des Lichaams ons doet sterken, Om ook in 't Stof der Aard te werken, Als wezens, vreemd aan elken grens -
De klok die, God, ten hoogsten Lof, En 't Menschenkroost, ter Zielsverengeling, Een Mensch - den Geest aan duurzaam Stof Doet paren, in verheven mengeling, En drukken, Aarde- en Hemelspruit, Zijn Gantsche Menschheid daarin uit -
De klok - de klok - ziedaar 't gewrocht, Mijn menschlijk leven lang gezocht.
Ik teeg aan 't werk. Een lang verkeeren Met d' Arbeid naast de Wetenschap Kwam mij de kunst des Smelters leeren, Door d' afgesmeekten geest des Heeren, In eedlen zin, ten hoogsten trap.
Geen schooner toon - geen forscher klanken - Die de ijzerkromming in zich sluit, Dan waar ík God voor hoop te danken, Die mij doorlichtte met zijn spranken, Wen 't matte hoofd ter Maat mocht wanken, Of 't zintuig zwijmde voor 't Geluid.
'k Mocht eindlijk onmiskenbre wetten Der afgemeten bergstof zetten, En drukken vollen toon bij toon, Zelfstandig, maar in wedstrijd klinkend, Harmoniesch rijzend, buigend, zinkend, In welfsels uit, onwraakbaar schoon!
Ik schetste uw vader mijn verrukken:.... Geen grootscher klok voelde ooit deze aard Haar hechten lenden zich ontrukken, Dan 't met Gods hulp míj zou gelukken Te steunen in haar hemelvaart.
Ginds, van den tempel zal zij klinken, En slechts aan géne zij der Maas, Drie mijlen ver, een toon doen zinken, Als Berckels zielsoog nooit zag blinken, Als nimmer Rijswijcks oor mocht drinken, Bij 't veldgeruisch des dageraads.
't Was heden, dat mijn laatste zorgen, Aan 't beeldsnijwerk der kap besteed, Mij zoet voorspelden, hoe 'k op morgen Eén vorm er nog in hechten deed'!
'k Was aan 't herpeinzen - en 't hermalen - 't Hermeten van de minste boog - 't Hervinden aller slotgetalen, In 't rijk der lucht en mineralen, Die dierbaar zijn aan 't vorschend oog...
'k Ben bij mijn werkstuk neêrgedoken; Ik heb mijn dankgebed gesproken En morgen, morgen nog, zoo ooit - Staat heel 't gewrocht voltooid!
Josina staarde voor zich neêr - Als had haar aandacht keur noch perk; Toen zag zij op, en blij en sterk Van zoet vertrouwen, sprak zij teêr: ‘Gods zegen, Ewout, kroon uw werk!’
Cookies on Poetry Cove