V.
De morgen lichtte zacht in 't raam
Van Ewouts somber slaapsalet.
Men riep vergeefs Josinaas naam;
Men beidde vruchtloos Ewouts tred.
Twee dooden vond men in hun plaats:
De jongling ligt ter spond' gestrekt;
En 't knielend maagdenlijk bedekt
De teedre bleekheid haars gelaats,
Gebukt op Ewouts rechter hand,
Dic in haar elpen vingren rust,
En 't bidkoraal was ingeplant,
Als had ze 't nog vaarwel gekust.
Daar klinkt, op hollen toon bij toon,
Een klokgebrom, zoo grootsch en schoon,
Als nooit door Delf mocht galmen;
En zong, vervuld van hooger zin,
Voor Ewout en zijn zielsvriendin,
De plechtige uitvaartpsalmen.