IV.
Eens was het feestdag! 't was Sint-Jan: De liefelijkste morgenstralen, De reinste hemel lacht haar ân, Nu zij het vensterluik liet dalen, En 't helder oogjen nu en dan Door 's hemels vriendlijk ruim laat dwalen. ‘En broeder Ewout heeft gevraagd, (Zoo noemt hem liefst de teedre maagd) Ter Vesper, dat ze 't zou gehengen Den feestdag samen door te brengen - Wen 't meester Heynrick niet mishaagt!’.
Zij kleedt zich dus met meerder zorgen, En zoo, gelijk haars vaders last 't Sints lang, op iedren kerkdagmorgen, Voor Sasbout Pieter hield gepast:
Maar toen ze 't frissche stroomkristal Liet paerlen door haar vingrental - En 't baden van heur hals en armen (Wie 't stemmig kleed, zoo trouw, zoo kiesch Plach te overhullen en beschermen)
Een hooger gloed op 't aanschijn blies, Dat, als ten spijt van 't kerkerleven, Zich nooit zijn rozen zag begeven - Maar toen zij 't glansrijk, gitzwart, haar Tot breede tressen had gewonden, En 't blanke keursjen was verzwonden In 't somber taf der feestsamaar - Maar toen ze trad in 't huisvertrek, En bleef er lang en rustig wachten, Met vader Heynrick in gesprek, Verstrooid.. van handling.. en gedachten - Maar toen ze 't blozend kopjen stak In fulpen huif, met kanten boorden, En slechts in afgebroken woorden Van tijdsverloop en kerkgang sprak: Toen - toen, als altoos, was heur wezen, Heur ziel, bij hém, haar uitgelezen!
En Ewout kwam niet!... en 't gelaat Haars vaders deed heur harte schromen, Dat 's meesters scherpziende eigenbaat Een offer aan zijn lievlingsdroomen Zou zoeken in haar feestgewaad!
En ja! zij had zijn ziel doorlezen: Hij sprak haar toe: ‘'t Zal vierdag wezen, Me dochter! zoo voor dij als mij:
Eerst mis gehoord in 't hooggetij, En uiter kerke, frank en vrij, Naar min en zin, met Fijk-moei Luyten Den vluggen voet gerept naar buiten!... Nu ziet ge, kind, hoe heusch ik ben - Mids knecht en kroost zijn plichten ken!
Josina bloosde: ‘Vader-lief,’ Begon ze zachtjens te overleggen, ‘Vergeef me 't mooglijk ongerief.... Maar laat ik di mijn voorkens zeggen: 'k Ging' liever huiswaart uiter kerk, De Zondag eischt toch ook zijn werk, En 'k moet...’ -‘Wat moedi..?’ bromt de smeder - ‘Dat quintig hoofd gaat op end' nederQuintig: grillig. Nog rasser dan mijn blaasbalk mag: Ge klaagt mij steeds, en dag aan dag, Dat andre maagden hoogtij vieren, En 's Zondaags in de velden zwieren, En nu 'k di gun... maar - 't is ook wel - Keer thuis; verzaak mijn minst bevel: 'k Zal (bij Sint-Julf!) aan maagdengrillen Niet langer tijd en zorgen spillen. Doe - wat di vlijt; en ongestoord! -
Gân-dag! - ik moet naar buiten voort...’ De maagd berustte in dit besluit: Maar, thuisgekeerd - hoe zag zij uit Of niet de broeder telker stonde Uit 's Heeren tempel keeren konde!
En Ewout kwam niet! - Wreede hoop! - Het uurwerk ging zijn tragen loop, En deed reeds negen maal zijn ronde. De scheemring daalde, en zacht besloop Josinaas hart een martlend vreezen In 't eenzaam huis alléen te wezen.
Zij zat te mijmren neven 't glas; Zij zag bij iedren tred naar buiten, Die klonk door de enge vensterruiten, Of 't eindlijk licht de jongling was.
Helaas, hij kwam niet! Onweèrsnevelen Vervroegden 't somber uur der nacht, En deden, bij de droeve klacht Der stormen, of het ware een macht Van spooksels uit den dampkring hevelen.
Josina vond het ijl en kil In de enge woning; 't was er stil
In hut en smeedplaats; slechts daar buiten Kwam 't noodweêr op de tralies stuiten. Zij waagde 't naauw, met bleeke hand, Met foltrende angst in hart en aderen, Den schier gebluschten haard te naderen - Waaraan ze een flikkrend licht ontbrandt.
Na zinkt zij moed- en machtloos neêr; 't Is nacht; een leunstoel draagt haar leden; Daar buiten giert en loeit het weêr: Zij schreit; en stamelt haar gebeden; En schreit en bidt al meer en meer.
Op eens - daar hoort ze een dof gedruisch; Daar klinkt een forsche stap door 't huis, Dien zij hoort naadren en verzwaren; Zij ijst: de huispoort toch bleef dicht! Daar klinkt heur kamerslot - van 't licht Poogt ze in den duister door te staren....
‘O God! 't is Ewout!’ gilt zij luid; En laat het klamme bidsnoer los; En rijst verrukt den leunstoel uit - Maar zinkt, door flukschen schroom gestuit, Weêr neder met een blos.
Cookies on Poetry Cove