Skip to content
1846

De klok van Delft

J.A. Alberdingk Thijm

IV.

Hij had zijn werk volbracht. 't Mocht, met Gods hulp, gelukken 't Ontzettend kunstgewrocht den schoot der aard te ontrukken:

Hij heeft zijn duren eed aan God gestand gedaan - En eeuwen mocht zijn klok tot 's Heeren glorie slaan; De trekken van zijn bruid, die hem voor 't zielsoog speelden, Zijn aan 't metaal vertrouwd, schoon, nevens meerder beelden, Onkenbaar buiten hem. - Zoo is dan 't werk volbracht: Zoo kon dan de arbeidsman de twijfelvolle nacht - Der rust van de eeuwigheid - verbeiden: Maar 't beloonen... Waar blijft de Heer, die zich milddadig zal betoonen Voor de uitgestane smart, voor kostbaar bloed en zweet, Voor 't buigen van den Wil, voor 't Leven, dat men leed? Zál hij, zal Ewout niet voor 't minst de lucht zien beven Bij 't buldren van den toon, die aan de klok ontzweven, En 't hart vervullen moet met wellust? - Is hem niet De spijs van 't zaad gegund, dat uit de voren schiet? - Heeft hij van nóoddruft nog den laatsten snik gegeven, Die 't bar, nu vruchtbaar, land beploegd heeft, heel zijn leven? Hij heeft het: Maar - geen woord! Buig, stervling, buig u neêr: Gij hieft u bóven 't stof - Uw loon is bij den Heer. God is getrouw: Zijn zon zal van den Hemel stralen - Wat eischt ge een flikkring dan, om meê langs de aard te dwalen!

Ginder op zijn stille sponde, die zoo schaars hem rusten zag, Daalt voor Ewout, na zijn arbeid, de avond van een langen dag:

't Was een dag van werk en leven; 't was een dag, dat zin en ziel Eens 't vermogen nog ontplooiden, dat aan hun ten deele viel.

In den toren opgevijzeld, riep hij 't reuzig klokmetaal Geestdriftvol den eernaam tegen: ‘Beeldsel van mijn Ideaal!’ En dit woord was naauw gesproken, of zijn wezen, half verdoofd Bij de dartle vreugdevlagen van 't ontkluisterd hart en hoofd, Of de krachten, lang gespannen, zwijmden heen ter legersteê, Eischten scheemring, stilte en ruste, eischten zweving, nacht en vreê. Wanklend was zijn henentreden; klam de hand, die 't ‘goede nacht!’ Welgemeend, maar vreemd van uitdruk, Meester Heynricks groete bracht. Hij is krank naar ziel en lichaam, afgemat, ter doode toe - En toch droeg hem nooit zijn sponde, zóo getroost en kalm te moê.

Weinig later - is het wonder, dat, waar 't eenzaam lampjen straalt, 't Flikkrend licht, naast Ewouts krankbed, op een tweede kranke daalt? - 't Bleek gelaat, de sombre vlechten, zacht gekleurd door 't blanke kleed, Zit Zij aan zijn leger neder, die zijn leven 't hare weet; Angstig staart zij hem naar de oogen; angstig, vraagt ze op zachten toon, Wat het leven kan hernieuwen, kwijnend reeds in oog en koon, ‘Ewout!’ zegt ze, ‘dierbre broeder! - o wat pijnlijk voorgevoel Huivert mij door hart en ader... spreekt van einde en levensdoel? Ach! wat mag uw toestand wezen, dat ons heilig vriendschapsbond Mij gedwongen heeft te toeven, wakend tet de morgenstond?’ - ‘Zuster!...’ sprak de kranke, fluistrend, en zijn oog ontsloot zich zacht: ‘Is 't úw stemme niet, Josina, die daar doorklonk in mijn nacht? O wat zaligheid, wat weelde, werd mijn aandeel in dit uur!

En hoe troostrijk blaauwt de vlamme van het Hemelsch liefdevuur. 'k Zie het eind der aardsche werken! 'k zie het eind der droeve smart, 't Eind der onvolkomenheden, altoos kampend met ons hart. 'k Bracht mijn levenswerk ten ende: 'k heb de vruchten niet beleefd - Maar wat eischte men van 't leven, dat geen menschelijk leven geeft - O Josina, 't is op aarde zulk een onvolmaakte droom, Die ons vreugden tegenspiegelt, wenschen instort buiten toom!... Zielen, hakend naar den Hemel, klemmen zich aan 't aardsche vast: 't Aardsche ontvliedt hun zwakken vingren; 't zinkt in 't niet, als ijdle last, Of het streeft met hen naar boven, in gelijke zucht en vlucht, En 't geleidend samenzweven biedt geen steun in 't ruim der lucht. Ach! wat wenschen wij op aarde naar een rustplaats voor ons hart, Waar geen Orde, waar geen Vrede, Liefde ons slechts gegeven werd;

Liefde, strevend naar heur voorwerp, liefde, zwijmend, waar de hand Tot de rozen is genaderd, bloeiend aan den heuvelkant.

Liefde, die, als eens Daarboven, in den heilgen aanblik Gods, Voedsel vindt en Prikkel tevens, Dorst, bij Volheid des Genots - Neen, zij is niet van deze aarde! neen, zij is niet van den tijd! Neen, zij leeft niet - bij verkoeling, wisling, wanhoop, eeuwgen strijd!

'k Heb de Kunst, de schoonbeidsvorming, als een dierbre plant gekweekt, En, Josina, zoo gij voelde, wat mijn kunststuk nog ontbreekt- Wat de geest, in 't edelst leven, nog daaraan had toegedacht, Maar in 't stof een boei ontwaarde: Boei, en echter Vormingskracht!- Zoo gij wist, hoe ik getracht heb naar een Weten, niet van de aard, En gij zaagt de dorre halmen, zielsgekwel noch arbeid waard!-

Zoo gij wist, hoe ik Bemind heb:’ bij dees woorden rees hij op, 't Hoofd in beî zijn handen vattend, ‘en hoe ver de blanke top Der Volkomenheid zich ophief, in den trans van verre aanschouwd, En mij wolken deed omvaâmen, drupplen, voor der wolken goud! O, ten Hemel, ja ten Hemel, ter Vervulling smacht ik heen.... Maar nog boeit mij iets aan de aarde, dat me een zoet geheimnis scheen: Gij, vriendinne,’ sprak hij zachtkens, ‘gij, aan wie een wondre band Mij in 't leven heeft verbonden, gij, die mij van 't Vaderland Als een schaduw, als een spiegel, als een blijde erinring waart, Gij, Josina, blijft ge bidden? denkt ge soms aan mij op de aard? O, daar heerscht nog steeds een tweestrijd in mijn duister hartsgevoel... Met éen streven, met éen werking, kon het wezen, met éen doel! Wéen niet... ween niet, in dees stonde; ja, gij denkt, gij denkt aan mij:

'k Mag uw broeder immers heeten - zij bij God de Liefde eerst vrij!

Vrij en machtig, Hém gedachtig Die den stralenvloed ontvangt, Uit de zielen, Die er knielen, Waar het kroost den Vader dankt -

Zal 't Beminnen, Dat de zinnen Hier op aarde heeft verdeeld Sámenspoeden In d' Algoeden, Licht van Aller Schoonheidsbeeld.

Geen benijden, Vreugd, door lijden, Keur noch voorrang smart ons meer - Waar ons aarde En tijd, geen waarde Geen bestaan heeft - bij den Heer!

En volkomen Zal toch stroomen 't Vuur, waar onze ziel van gloeit.

Wát wij minden Dat hervinden We eens, van 't stoflijk deel ontboeid.

Méer dan broedren, Wier gemoedren En wier trekken 't oudrenbeeld, Met hun namen Al te zamen In gelijken graad doorspeelt -

Zie 'k de zielen Samen knielen, Saamgestrengeld en bemind Elk door allen - Nooit vervallen Van de Godbeid, die ze bindt.

't Schoon, in 't leven Wuft geschreven In Gevoel - Genot, en Wensch - Komt nadezen In Gods Wezen Schittren voor d' ontslaakten mensch.

Ja! wij zullen Daar vervullen,

Waar ons hart naar heeft gehaakt; Liefde vinden Van Beminden, Wier hestaan ons zalig maakt.

Dat zij komen, Dat zij stroomen - De oude wenschen van ons hart: 'tGeen genadig En weldadig Ons van God gegeven werd.

Komt, o Englen! Mij omstrenglen Met uw zoeten broederband... 'k Groet u, leven! Mij ontheven! Dierbre zuster, mij gegeven - 't Is geen scheiding: zie, daar zweven Uw Gebeden reeds naar Hooger In ons Eeuwig Vaderland.’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De klok van Delft · J.A. Alberdingk Thijm · Poetry Cove