Skip to content
1846

De klok van Delft

J.A. Alberdingk Thijm

II

De scheemring brak reeds aan, toen Ewout, half gewapend, Door Choor- en Doelstraat vloog, den slaap der kalmen slapend. Hij richt zijn snellen stap, verflaauwd nog afgewend, Naar Sinte-Claraas oud konvent. Gemengde hoop en vrees ligt in zijn blik te lezen: Maar zie! - wat rosse glans bestraalt zijn smachtend wezen Van achter gindsch gebouw? - Komt reeds zijn zorg te laat? - Is 't reeds verderf of dood, wier zeis hij tegengaat?... Hij huivert; sneller klopt zijn hart, en sneller vliegen Zijn wenschen hem vooruit. Mocht hem een schijn bedriegen!

Maar neen! 't gehoor bevestigt hem 't gezicht! Ter markte, waar het klooster ligt, Hoort hij, in kreet bij kreet, gesticht en kerk bedreigen. Hij vindt een schare volks, die aan de kloosterpoort Om oopning aanhoudt. Met den schrandren moed, hem eigen, Mengt hij zich onder 't graauw, en dringt naar de ingang voort. Hij eischt met de andren, dat men open op hnn spreken, Daar 't volk zich vaardig toont zich-zelf een weg te breken! - Daar wijkt de breede deur - Een priester, grijs van kruin, Bezweert ben ernstig, toch dit godgewijd arduin Te sparen van hun hoon. ‘Gaat,’ spreekt bij, ‘richt uw schreden Naar kerk en bidkapel - ontbloot van kostbaarheden; Geen enkel beeld, dat niet door de ovrigheid van 't land Bewaard wordt voor uw schimp en plonderende hand. Ik bid u, gaat in vrede! - een aantal zwakke vrouwen, Ik-zelf, heb niets, dat ge als benijdbaar kunt beschouwen! Belaadt uw zielen met geen schennis, die de leer, In welker naam gij spreekt, tot oorbaar strekt noch eer.’ - ‘Naar binnen!’ raast het volk, ‘voort, mannen! - ingebroken! - Of ons die nonnenbent geen beelden heeft verstoken!...’ - ‘Voort, naar de nonnen heen!’ drukt ook een dartle kreet Van jonger drijvers zich al gierend uit; en 't leed Een bijster korten stoot, dat hun verwarde drommen, De duistre gangen door, een trapgewelf beklommen. Wel stelde zich 't gezach des kloostervoogds te weer: Maar ach! hier mocht zijn woord, hier mocht zijn arm niets meer;

En Petri Slupicks taal, die meer dan dertig jaren Van 't preekgestoelte, de ongestuime en zwarte baren Van 't muitend volksgemoed in d' effen boord weêrhield - Was voor dit wild geboefte als machtloos; onbezield Scheen ook zijn zacht gebaar en eerbiedwekkende oogen - Die meer op snoodheid dan brooddronkenheid vermogen!

Zij dringen, man voor man, de kronkelende trap, Door vuur noch vonk verlicht, omhoog met wanklen stap; Maar juist, in 't eng portaal, bereid ten laatsten treden - Daar davert, in hun nacht, een werptuig naar beneden, Dat menig kneust en schrampt; en d' eerste van hun rot Doet tuimlen op zijn maats. Doch haat, en vloek, en spot Wordt slechts bevorderd door dien weêrstand. 't Lukt een tweede Den moed te vinden, tot de reeds beproefde schrede: Hij stijgt; en, midlerwijl, daar dringt het morgenlicht Tot op zijn steilen weg; zijn al te snel gezicht Ziet van omhoog een balk, onzichtbaar voortgeschoven, Zich slingren naar hem heen; hij krimpt zich, schuilt ter zij - En dreunend vaart de last zijn ranke leest voorbij. Een vreugdekreet ontgaat zijn borst: hij blikt naar boven, Maar voelt op eens den moed zich in zijn ziel verdooven: Een forsche jonkman staart al dreigend op hem af, En toont hem 't blank rapier, dat de eedle vuist omgaf. ‘Wie waagt het,’ roept hij uit, ‘wie waagt het, vrome helden! De macht te trotsen, die we uw snoodheid tégenstelden? - Een wakker krijgrental, in tijds ter hulp geprest,

Verbeidt u hier, bij 'tgeen den kloostervrouwen rest Van goud en kostbaarheên: Wie durft - bij kome 't halen! - Maar zal, dit zweer ik u, 't met bloedend hoofd betalen.’ - ‘Vooruit!’ schreeuwt nog de drom van onder; ‘'t is bedrog; Wie bracht die krijgren hier? - Vooruit!’ - ‘Wat draalt gij 'k Zal dien daarboven, tot zijn dood hier ingeslopen,’ (toch? Zoo brult een ruwe gast, ‘de huid eens af gaan stropen! Vooruit!!’ en met dien galm, vliegt hij de trap in top; Hij zwaait een breede knijf: de jonkman wacht hem op - En hij, die dezen reeds een stoot heeft toegedreven, Ziet eensklaps zich zijn prooi begeven - De jonkman wijkt den eersten aanval; bukt zich, tast Den vijand in de greep der zware laarzen vast; Hij heft, met eenen ruk, den woestaart van de voeten, En doet hem d'aanslag vreeslijk hoeten - Want rugwaards hellend, stort hij, 't hoofd naar onder, neêr In werk- en wapentuig, waarmeê het ordloos heir, Hem volgend langs de steilte, al hoopvol opwaards snelden: De jonkman roept hun toe: ‘Daar komt uw hoofdman, helden, ; Die tegen vrouwen strijdt! daar komt hij, tot uw straf, Verplettrend op u neêr! - die dees kastijding gaf Heet Ewout! - kent gij hem - gij, Delvenaars - gij, smeden! - Gaat dan, en raadt aan 't volk, uw makkers daar beneden, Dat géen mij tarten koom: want, de armen van een smid - Vermogen, waar God helpt, nog eindloos meer dan dit!’ - ‘Hoe, meester Ewout! gij!’ doet zich de Rijknecht hooren, Die de oorzaak van 't gedruisch in 't klooster na kwam sporen.

‘Wat, (Satan!) zoekt gij bij dien wakkre. Beeljals vee? - Is bij een spitschbaard, bij een bloksant? - gaat in vreê,Spitschbaard: spanjaart. Bloksant: heiligenbeeld. Gelooft me, en kon uw moed geen naakte wanden deren - Komt, wakkre kalven! toch hun weêrstuit niet trotseeren!’

Zoo sprekend, vloog hij fluks ter hulp naar boven heen; En - wat men dreigde en kreet - hem volgen dorst niet éen. Ter bovengang heeft hij de hoofddeur dichtgestooten; Hij dwaalt de gangen door; vindt elke cel gesloten, En Ewout schijnt ontvlucht. Maar neen! twee schreden meer - Daar roept en nadert hem zijn Heer. Wien leidt hij aan zijn arm, en sluit zich aan zijn zijde? - Josina - die alleen hem bijstond in den strijde. Zij had zijn stem herkend; zij beefde voor 't gevaar - En dankt hem echter, dat hij 't leven waagt voor haar. Maar hoe zich thands gered? Nog toeft het volk daar buiten; Geen vrees! - hun lotgenoot zal hun 't gesticht ontsluiten: Hij blikte een venster door, dat op de vest der stad Een duislingwekkend uitzicht had; Maar, daarbeneden, welft een poort - aan welker stijlen De kloosterschuit zich hecht. Hun driftig derwaards ijlen Wordt, met de daling langs een draaitrap, die ter gracht Door hof en kelder - leidt in éene daad volbracht.

Daar stuwt de rijknecht reeds het hulkjen langs de stroomen: Gelukkigsten van de aard - zijn zij 't gevaar ontkomen!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De klok van Delft · J.A. Alberdingk Thijm · Poetry Cove