IV.
‘Daar wordt reeds de eikenstam gekloofd, Waaruit me een schandpaal zal verrijzen; Daar werd de laatste vonk gedoofd Van 'tgeen, te licht uit God geloofd, Der geesten broosheid zal bewijzen. Reeds klonk een sombere orgeltoon,
Als boô van onheil, rouw, en hoon; Reeds sprak de Bisschop zijn gebeden, En met de zalving en den doop Voltrekt de zegening haar loop, En draagt de Klok, door wierookwalm omgleden, Het levend merk der plechtigheden.
Dan stijgt de beê ten God van al, “Dat, als weleer een trompgeschal, Voor 's Heeren Bondsark aangeheven, Des vijands bolwerk heeft vernield, En trotsche heirmacht heeft verdreven - Zoo ook de Klok, van God bezield, Des vijands spietsen rugwaards beven Den geeselslag der onweêrsroê, 't Geweld der haaglen, keeren doe; Ons landplaag, koortsen, gicht, begeven, En 't volk van rampen worde ontheven!” - Dan klinkt de vraag: “Wat is 't, o zee! Dat gij te rugge zijt geweken?” Dan roept een stem ter zelfder steê: “Wel is des Heeren macht gebleken, Wel davert de aard voor 't aangezicht, Voor 't godlijk aangezicht des Heeren, Die rotsen tot fonteinen sticht, Die steen in waatren doet verkeeren”.... Maar slechts de huizing, rijk en schoon,
Gesierd ten heilgen tabernakel, Kiest zich Gods heerlijkheid ter woon, Schenkt hij zijn zegen, toeft mirakels...
En zie, de huizing, hem bereid, Wierd hoonend voor Gods Majesteit.
“Wat hebt ge mij', zoo spreekt de Heer, Geen huis gebouwd, van 't hout der cederen! Wat dorst men de Arke Gods vernederen! In dierenhuiden ligt ze neêr....”
De Tempelklok, den Heer bereid, Die elders Orde en Kracht ten toon spreidt, Wierd schandvlek van Gods Eeuwge Schoonheid, Wierd hoonend voor Gods Majesteit!’...
Zoo sprak een jonkman in zich-zelf, Geleund in 't hoog, maar eng gewelf Eens vensters, van baas Heynricks woning, Wier noorderzijde 't uitzicht had Op 't rijk bevolkte deel der stad, Thands schouwplaats harer vreugdbetooning.
't Was Ewout-zelf. Een traan in 't oog, Sloeg hij den doffen blik omhoog, En mat den ouden tempeltoren.
Met ongeduld beidt hij reeds lang De tonen der gewijde choren, En vreesde 't ‘amen!’ toch te hooren Van Asaphs troostend psalmgezang. Want, na dat amen, zou zijn Klok Voor 't eerst het volk ter misse nooden... En dan - dan mocht’ hij 't rijk der dooden Met wilden voet zijn ingevloden, Geschandmerkt door der burgren wrokt
Nog luistert hij aan 't open raam: De vooglen tjilpen, zwieren, dwalen, En dartlen in de zonnestralen: Hij slaat de kille handen saam; En zachtjens blijft zijn mond nog spreken: ‘Wel is des Heeren macht gebleken! Wel davert de aard voor 't aangezicht, Voor 't godlijk aangezicht des Heeren, Die rotsen tot fonteinen sticht, Die steen in water doet verkeeren.... Maar neen! gij hebt mij, zegt de Heer, Geen huis gebouwd van 't hout der cederen - Maar durfde de arke Gods vernederen: In dierenhuiden ligt ze neêr.’
Hij zweeg. Daar klinkt het van omhoog! Een klepelslag dreunt, somber krijtend,
Zijn venster in, en of, van 't oog Der burgerij, een blik, verwijtend, Hem in 't bestorven aanzicht vloog - Deinst hij te rug met wankle schreden; Hij prangt met beide handen 't hoofd; Een huivring vaart hem door de leden - Hij zwijmt ter aard: naar ziel en zin verdoofd.
Cookies on Poetry Cove