Verhaal.
Daar leefde in 't vrouwenklooster Een jeugdig nonnekijn; God was alleen haar trooster; Daar mocht voor haar geen rooster, Geen buitenwaereld zijn.
Ze vond haar vreugde en lijden In 't zevendubbel Wee, En 't zevenvoud Verblijden, Der Teedre, wier getijden Ze bad, als lievlingsbeê.
Zoo had zij éen vriendinne - De zoete Moedermaagd; Zoo was ze kosterinne; En droeg geen andre minne Dan die de sluier vraagt.
Zoo dachten al de nonnen - Zoo ging alom de maar: Dan och! twee liefdebronnen Twee harten, licht verwonnen, Vergeten noode elkaâr.
Zij had, haar kinderleven, Een lieven knaap bemind, En schoon aan God gegeven,
Was haar geen hart gebleven, Dan zwak en aardschgezind.
Zij zat, ter morgenstonde, Voor 't eenzaam vensterkijn; De jonkman reed in 't ronde, En zag de lieve blonde, En weende als zij van pijn.
Toen zond zij hem een bode, Wiens zijden briefjen spreekt, In woorden zacht en blode, ‘Mijn lief, ik ga ter doode, Als mij uw min ontbreekt.
Kom over negen dagen Daar ginds aan d' eglantier... Ik kan mijn droeve plagen, De kap niet langer dragen, En vlucht met u van hier.’
En zie, na negen dagen, Heeft zij, toen middernacht In 't klooster was geslagen, Met pijnlijk boezemjagen Haar laatste dienst volbracht.
Na 't luiden, en bedienen, En 't zingen der mettienen,
Klonk lang nog háar-alleen De laatste toon in de ooren Dier vrome zustrenchoren - Maar stierf in 't ijdel heen.
En doofde zij de lichten - Toch éen, eer alle zwichten, Haar nog in de ooge speelt; En zijwaards afgetreden, Genaakt ze, zacht van schreden, Mariaas minlijk beeld.
‘O Moeder, mijn vriendinne!’ Zoo roept zij schreiend uit, ‘Gij ziet, wat ik beginne Met afgedwaalden zinne, Verloren Hemelbruid.
Ik moet in zonde leven; Ik moet in zonde sneven, O heilge Troosterin! Uw geest heeft mij verlaten, Uw hulp kan mij niet baten - Bij God ontvreemde min.’
Toen hing zij, voor Marië, Van kerk en sakristië De sleutels daar ten toon: Opdat ze in de aandacht vielen
Van al wie neêr kwam knielen, Bij 's Heeren Moeders troon.
Toen lef zij kap en wijlen, Haar kleed, op d' outaarsteen; En toog in stiller ijlen, Vol angst naar buiten heen...
En in den bof gekomen - Daar blinkt iets door de nacht; Daar fluistert, langs de boomen, Een stemme teêr en zacht;
Hij komt, verrukt, haar tegen, Dien zij haar liefde gaf.. En, op zijn ros gestegen, Gaan zij, ontzind, huns wegen, In ademlozen draf.
Wie meldt ons wat geweste Van beiden is doorkruist - En hoe dat ben ten leste Een groote schoone veste Te zamen heeft gehuisd!
Hoe zij elkaâr beminden... Doch, telken levenstred, Meer leeds bij de onrust vinden Van 't zondig trouwverbinden,
In strijd met 's Heeren wet.
En hoe - na zeven jaren! - Al wal zij mochten sparen Van 'tgeen hij gouds bezat, Verteerd was en verloren, Ja, 't kroost, uit hun geboren, Als zij geen brood meer had.
Ach! mei nog zwaarder rampen Had de arme zondares te kampen: Den man, wien zij haar liefde bood, Wien ze alles prijsgaf, hierbeneden, Met alle hoop en zielevreden - Hem, werd de ramp zijn moed te groot: Hij zag haar lijden, zag haar streven, Terwijl hem rouw en smart versloeg; En eenmaal - op een morgen vroeg - Daar heeft hij haar en 't kroost begeven: En kwam niet weêr - van al zijn leven!
En toen - (o reine Moedermaagd, Bid voor de diep gevallen vrouwe, Die, na 't verbreken van haar trouwe, Al meer en meer zich heeft verlaagd!) Toen kon zij toch haar beide jongren, Niet daaglijks dorsten zien en hongren - En Eedle Jonkvrouw, als zij was, Wist zij geen kleederstof te spinnen,
Waarmeê ze éen bete daags mocht winnen, Die 't lijden van haar kroost genas.
Zij viel tot groote, ontelbre zonden! Maar 't was, voorwaar! alleen uit nood: 't Geschiedboek spreke des t' oorkonden: 't Was vreeze voor de hongerdood.
Zoo bracht zij nog weêr zeven jaren, In ondeugd en ellende door, Maar eindlijk vond de geest gehoor, Die zachtkens om haar rond bleef waren. Een diep, een bitter, zielsberouw Deed, uur aan uur, bij nacht en dagen Haar rustloos krijten, rustloos klagen, Voor 't aangezicht der Lieve Vrouw:
‘O toevlucht der bedroefden! Vertoon mijne arme ziel, Dat, wie uw hulp behoefden, En met vertróuwen toefden, Uw troost ten deele viel!
Bedenk, ik heb nog heden Ter uwer eer gebeden, Al bleef uw deugd mij vreemd: Ach, toon mij, dierbre Vrouwe, Dat ge in mijn diepe rouwe Uw welbehagen neemt!
Zou ik verloren wezen, Als gij mijn zaak bepleit - Gij, Moeder, nooit volprezen, Zoo hoog in gunst gerezen Bij de Oppermajesteit?
Was Jezus niet uw zone? Heeft Hij geen heerlijk loone Voor uwe deugden veil? Of weigert de Albehoeder De beden zijner Moeder Voor zijner kindren heil?
Neen, neen! Hij zal u hooren.... O smeek Hem dan om troost: Om stilling van zijn toren, Om hoop, zoo láng verloren,... Om voedsel.. voor mijn kroost.’
Toen rees zij, door 't gebed bemoedigd, En nam een kind aan elke hand, En in haar tocht van God bespoedigd, Verliet zij 't land.
Zij leefde voort van liefdegaven Met blode hand alom vergaârd - Opdat zij spijzen mocht en laven Haar zoons, haar eenigst goed op aard. En zie, zij doolde zoo veel dagen
In onbekende streken rond, Dat zij het oord, in 't hart gedragen... Het klooster - eindlijk wedervond!
Reeds was de zon in 't West gedoken, Toen ze aan een stulpjen, laag van bouw, Eene oude, brave weduwvrouw Om gastvrijheid heeft aangesproken...
En toen zij 't welkom had verstaan - Toen dorst haar schroom ten laatste 't wagen Der vrouwe zachtkens af te vragen, Hoe 't met 'et klooster was vergaan. ‘Ik hoorde,’ zegt ze ‘dezer weken, Van eene kosterinne spreken, Die (naar ik meen), voor veertien jaar, Op 't onvoorzienste toog van daar: Ei, zeg mij, is 't u nooit gebleken, Waarheen de ontrouwe zij geweken?’ Toen werd de vrome weduw gram; ‘Foei,’ riep zij, ‘had ik kunnen denken, Dat wie bij mij haar intrek nam Door achterspraak 't gesticht zou krenken - 'k Had haar mijn huis en hulp ontzegd. Foei! dat gij door een blaam, zoo slecht, 't Verdenken van zoo groote zonde, Een nonne lastert, die met recht De vroomste heet, een mijl in 't ronde. O, neem te rug dat zinloos woord.
Met smart en ergernis gehoord!’
En die daar bij baar kindren zat Dacht, ‘Lieve God, wat maar is dat?’ ‘Ei, Vrouw,’ zoo spreekt ze, ‘doe mij weten, Hoe (naar u heugt) hare oudren heeten!’ - En de andre zegt het. - 't Is dan waar! Die goede naam, die roem is haar! God weet, wat in heur harte woelde; Wat liefde zij des nachts gevoelde Voor Hem, en 't snood verlaten goed; En hoe ze, in afkeer van zich-zelve, In ovengloed of grafgewelve, Met vreugd haar zonden had geboet. God weet, hoe zij, met heete tranen, Haar zondig leven heeft beschreid - Toen plotsling in haar eenzaamheid, (Zij had zich naauw ter rust geleid) Een zilvren stem haar kwam vermanen, En zeide: ‘Mensch! uw smeekend woord, Waarin gij, onder droevig kermen, Maria badt zich uws te ontfermen, Werd liefderijk door haar verhoord. Zij smeekte God voor u genade... Ga dan nu heen, met haren rade: Begeef u naar de kloosterpoort: Gij zult de deuren open vinden, Waaruit gij vloodt - met uw beminden En onstandvasten bruidegom...
Gij vindt uw kap en wijlen weder: Zij liggen op den outaar neder: Ga dan, en doe ze u haastig om, En dank de Lieve Vrouw Marië: De sleutels van de sakristië - Zij hangen in heur heiligdom, Ter plaatse van voor veertien jaren. Die tijd is sints uw vlucht vervaren - Maar zonder dat men in 't gesticht Van eenig kwaad u heeft beticht. Want zie - de Hemelkoningin Nam uw verlaten plaats er in.’
De stemme zweeg; en bij 't ontwaken, Bad zij den Heer bekend te maken, Of zij die inspraak volgen mocht: ‘God!’ riep zij, ‘zend mij ander male Uw Engel, dat ik niet verdwale Ter stede, waar ik redding zocht!’
En 's andren nachts deed, als te voren, Een stemme bij haar slaap zich hooren, En zeide: ‘Mensch, wat draalt gij toch? Ik ben Mariaas trouwe bode; Ga dan ter plaatse, waar ze u noodde... Ga; twijfel niet: zij toeft u nog.’
‘Ach,’ denkt zij, ‘'t is wellicht de Booze, Die hoopt eene oude roekelooze
Met list en laag in boei te slaan.Ep. Joan. IV. 1. Ach, God! ach, doe mij meer dan droomen: Al heb ik in den slaap vernomen, Dat mij Maria d' Engel zendt - Ach, koom hij toch mijn nachtrust storen, En doe me, ontwaakt, dat heilwoord hooren - ‘Maria, roept u in 't konvent!’
Toen waakte zij, de derde nacht; Daar komt een stem met groote kracht, En van een Hemelsch licht verzeld, Die haar den wil des Heeren meldt: ‘'t Is kwalijk, dat ge zoo veel dagen Uw heil dus nutloos blijft vertragen: Maria zendt u kloosterwaart. De deuren vindt gij voor u open - Gij moogt konvent en kerk doorloopen: En de oude dienst zij weêr aanvaard!’
En nu - ja, nu aanbad zij weenend De stem, die uit den hoogen sprak; En, over beî haar kindren lenend, Riep zij, terwijl haar 't harte brak: ‘Ik ga, mijn God! en dees mijn zonen... Gij zult ook hen uw liefde toonen, Gelijk Ge 't aan de moeder deedt.’ Toen toog zij dit haar bovenkleed,
Waar zij haar dierbren meê bedekte, En zonder dat haar kus hen wekte, Sprak zij dit vurig, afscheid uit: ‘Vaartwel, mijn lieven! voor uw moeder, Vindt gij in God uw hulp en hoeder - 'k Voldoe aan 's Heeren raadsbesluit: O, zoo mij tot geen beter leven De Moeder Gods geroepen had, Ik zou uw zijde niet begeven, Voor al wat Rome schoons bevat!’ En op dat woord nog meer bewogen, Is zij naar 't klooster heengetogen.
Zij zag van verre d' eglantier. Zij vond de kloosterdeuren open; En toen zij 't kerkchoor had doorloopen, Riep zij: ‘O God, zie mij dan hier! O, geef mij kap en wijlen weder, De kleed ren, die ik leî ter neder, Op Onzer Vrouwe hoogaltaar In 't uur der nacht, voor veertien jaar!’
En neen! zij stelde haar vertrouwen Niet vruchtloos op de Moeder Gods - Gezegendste onder alle vrouwen, Die Gode bidt ons vrij te houen Van d' ouden vloek des aardschen lots:Gen. III, 17; 1 Joan. I, 7; Luk. XIII, 5.
Zij vond kaar kap en wijlen weder Op Onzer Vrouwe hoogaltaar, Ter plaats, waar zij ze leî ter neder In 't uur der nacht voor veertien jaar. En voor den heelde van Marië, Daar zag zij - thands zich-zelf niet meer! - De sleutels van de sakristië; En hing ze aan haren gordel neêr. En toen ze 't choor in alle hoeken, Door lampen klaar beschenen zag - Toen kreeg en deelde zij de boeken Ten plaatsen, waar zij eertijds plach. En naauw was middernacht geslagen, Of ijlings greep zij 't bengelkoord, En allen, die ter ruste lagen, Verschenen, als in vroeger dagen - Tot bede en mettenzang gespoord.
Zij was als eertijds kosterinne: Geen, die baar hield verdacht van schuld; Want 's Heeren Moeder, haar vriendinne, Maria, rijk aan zuivre minne, Had sints haar vlucht beur plaats vervuld.
Maar 'k wil u in den geest geleiden Naar 't huis der arme weduwvrouw, Waar heur verlaten telgen schreiden Van nooddruft en van rouw.
De brave weduw, zelf aan 't weenen, Bij beider leed en droefenis - Liep ijlings naar het klooster benen, Tot de achtbre vrouw abdis.
Haar eenvoud meldde, hoe een moeder Bij haar beur kindren had gebracht, En beiden, zonder heul noch hoeder, Verliet in 't uur der nacht.
En zie, de abdisse, mild en goedig, Werd niet vergeefs om hulp gesmeekt, Maar gunt en geeft haar overvloedig Wat de arme vrouw ontbreekt.
En toen de moeder mede 't hoorde, Dat geen gebrek haar kinderpaar In 't rustig Christenleven stoorde, Beschermd voor elk gevaar -
Toen kreeg ze een zucht tot vurig danken, Voor Jezus' heilig Kruis geknield... Maar miste toch nog in haar klanken Den echten gloed der liefdespranken, Die 't boetend hart bezielt.
Eenmaal biddend neêrgebogen in het eenzaam choor der kerk,
Voelde zij zich aangeroepen tot een vroom en vruchtbaar werk: Want nog altoos bleef zij zwoegen onder 't wicht der oude schuld, Voor wier kwijting zij Gods eischen niet deemoedig had vervuld. Heden immers werd 'et klooster van een heilgen abt bezocht, Dien zij vroeger telken jare schuldvergifnis vragen mocht; Doch de Booze haar bespiedend, wist, door valsche schaamte en trots, Haar van d' oodmoed af te tronen, in 't vervullen des gebods. Zie, daar ligt zij in den tweestrijd met een bang en droef gemoed, Met den vijand in haar boezem, die van angst haar siddren doet; O wal drijft zij hem niet buiten, hij, de bron van alle kwaad.... Maar... wien blikt ze op eenmaal tegen, in dat hagelwit gewaad? - 't Is een jongling, zacht van wezen, met een straalkrans om 't gezicht, In wiens arm een teder kindtjen bleek en dood ter neder ligt. Peinzend staal hij haar ter zijde, lacht het wichtjen liefdrijk aan,
En hij blikt in 't roerloos oogjen, of 't hem zien kon en verstaan. Spelend werpt hij met een appel, altoos, altoos op en neèr, Of 't het kindtjen mocht vermaken, dat hij toelonkt keer op keer. En de nonne zag verwonderd uit haar bede naar omhoog, Eu zij vroeg hem: ‘Vriend, ei, zeg me, wat u in dit uur bewoog Voor dit kindtjen dus te spelen, met een appel, schoon en rood, 't Kan de kleuren niet zien blinken, 't lieve wicht is koud en dood. Toen was 't andwoord van den jongling: ‘Zeker, nonne, hebt gij recht - 't Zoet genieten van dit spelen is het doode kind ontzegd; Maar, niet minder als dit wichtjen is de Heer daarboven blind Voor hetgeen gij telken dage tot zijn lof en eer begint: 't Is verloren, al uw bidden! 't is verloren, al uw leed! Al uw vasten, en kastijden, dat ge in staat van zonde deedt. Zie - gij ligt zoo diep bedolven, en in aardschen damp versmoord,
Dat de Vader in den Hemel naar uw klacht, noch bede, hoort. Jezus' Moeder raadt u liefdrijk, ga den geest des kwaads te keer: Spreek u schuldig; boet uw zonden: en de Heer verhoort u weèr.
Toen zij dit and woord had verstaan Is zij ten vromen abt gegaan, Die hulpgereed, van woord tot woord, Een trouw verhaal heeft aangehoord Van al wat ze, in haar zondig leven, Voor 't oog des Heeren had misdreven;
En toen zij hem beleden had, Hoe ze immer tot Maria bad, En deze liefdrijk en genadig De nieuwe vrucht van Jezus' bloed, Den wederkeer, zoo wonderdadig, Voor haar bereid had en verzoet, Haar domplend in den tranenvloed, Waarmeê zij zoo oprecht beschreide Het zondig leven, dit zij leidde... Riep de abt, getroffen: ‘Eer zij God! Gebenedijd zij 's Heeren Moeder, Als voorspraak bij den Albehoeder. Ter leniging van 's menschen lot. Mijn dochter! 'k heb in 's Heeren naam,
En door 't gezach mij opgedragen, U van uw zondeschuld ontslagen - Maar verre zij van ons de blaam Te onttrekken aan des waerelds oogen Een wonder, door den Heer voltogen, Der Lieve Vrouwe-zelf ter eer! O menig een moog zich bekeeren En Jezus' dierbre Moeder eeren, Bij 't zien der weldaàn van den Heer.’
En dikwerf nog heeft de abt verkondigd De glorie van de Moedermaagd; En van haar liefde en trouw gewaagd Voor de arme, die zich had bezondigd. Maar immer bleef er in 't konvent Slechts éen de naam der vrouw bekend.
De beide kindren der bekeerde Zijn door den vromen abt bezocht; Hij nam ze met zich op zijn tocht, Terwijl zijn mond hun wijsheid leerde, Hij toog ze graauwe kleedren aan, En deed ze 't pad des Hemels gaan.
Hun moeder heette Beatrijs.
Looft God den Heer in 't Paradijs, En zij Maria eer geboden: Zij hielp een vrouw uit alle nooden,
Uil zoude, zielsverderf, en dood: U smeeken wij dan, klein en groot, Die dit mirakel hooren lezen, Dat ons Maria eens moog wezen Ter voorspraak, in 't verborgen dal, Waar God de waereld richten zal.
Bewerkt naar Dr. Joncbloets Uitgave der Sproke.
Cookies on Poetry Cove