Skip to content
1847

'Beatrijs'

J.A. Alberdingk Thijm

Voorspraak.

Ik weet u een wonder te noemen, De Maged Maria ter eer: Wat zouden we de Almacht verbloemen, De liefdrijke macht van den Heer! Zoo God eens een needrige vrouwe Bezield heeft met Hemelsche Kracht -

Zoo Jezus, den Mensch ten behouë, Als kind werd ter waereld gebracht - Wal zijn we voor kleiner mirakel, Voor mindere gunsten dan blind! Wat spot men met iedere schakel, Die Hemel en aarde verbindt!

Men love de schittrende bloemen, In 't bloemhof der Kerke bewaard: Men leer ze de ware te noemen - Men wéet ze de schoonste van de aard: De bloeme van Gods Evangelie, Zij teder bewaakt en gekweekt....

Maar schuilt, naast de prachtige lelie, Geen bloemtjen, waar niemant van spreekt? Viooltjens, in 't wilde gewassen, Vereischen geen hulde, geen zorg - Maar toch - die viooltjens - zij passen In 't oord, dat ze needrig verborg.

Ja, wie er de planten bewondert, Uit kenlijken oorsprong gegroeid, Blikt soms naar het kruid, dat in 't honderd Daarneven zoo zedigjens bloeit: De geur van dal plantjen streeft mede Ter stichting van 't hoogste genot - Wie eischt, dat een doelloze snede 't Moedwillig in 't voortbloeien knot?

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
'Beatrijs' · J.A. Alberdingk Thijm · Poetry Cove