Skip to content
1774

Het verheerlijkt Leyden

J. Francq van Berkhey

Bericht. Eindelijk, waarde Burgerij, en veel geachte Leezers, ziet gij hier mijne Dichtmaatige Redenvoeringe van onder de pers te voorschijn koomen! mijn voorneemen was, om, bij wijze van eene nareden, dit Stukje met eene en andere bijzonderheden, betrekkelijk op eenige Zinspeelingen der Redenvoeringe, voor den min kundigen, te verrijken; te meer, daar de hedendaagsche kiesheid, het plaatsen van aantekeningen onder een Dichtstuk, verbiedt. Hier toe was reeds het een en ander Plaatje in gereedheid gebragt. Doch, door de buitengewoone vertoeving der drukkers, die door verscheiden beletselen zijn opgehouden, heb ik de mij zoo aangenaame begeerte, die ik bij ieder een, naar dit Stukje, bespeurde, niet langer willen ophouden; waarom ik, voor het tegenwoordige, mijne gedaane Redenvoeringe geef, gelijk zij is; terwijl de gemelde aantekeningen, binnen korte, staan te volgen. Voorts heb ik mij niet kunnen onttrekken aan den edelmoedigen lof, van eenigen onzer braafste Leydsche, en andere Dichteren. Eenen lof zeker, dien ik mij niet, dan met eenen indruk van diepe nedrig-heid, en dankbaarheid, kan aanmatigen; dan, die tevens in mij dat zoet genoegen aantokkelt, het welk onze oude Hollandsche Dichteren altijd ter spoore gestrekt heeft. Het is op hun voorbeeld, dat ik, hoe zeer ik oprechtelijk betuige, eenen afkeer, voor vleiënde en hooge loftuitingen, te hebben, de uitmuntende vaerzen, die men mij heeft gelieven toe te eigenen, voor deeze mijne Redenvoeringe, met de zuiverste dankbaarheid, en dichtlievende toegenegenheid, heb doen plaatsen. Dit was toch, van ouds, de band, die onze Vaderlandsche Dichteren verbondt: het was de spoore van hunnen Pegasus: het was die verkwikkelijke daauw van den Hollandschen Pindus, die uit den lieffelijken adem van onze Vondelen, Hoofden, Antonidessen, Branden, Moonens, de Dekkers, en Poots, in een woord, alle rechtaarte kinderen van Apollo wierdt uitgeademd, over de echte Lauwer-kranssen, die op onzen Parnas wierden uitgedeeld. Daar ik dan nu een Vaderlandsch kransje, zoo gulhartig, mij zie toegereikt; daar ik door dat innerlijk genoegen, 't geen eene welmeenende toejuiching altijd verwekt, mijn hart voel bestormen; zou ik, die, op mijne beurt, anderen ter eere zong, nu zoo Stoïsch zijn, dat ik de eigenliefde zou trachten uit te schudden, en zeggen, dat ik niet een weinig genoegen in mijne eere gevoele? Dit waare te hoogmoedig zijn, om de ingeschapen gevoelens der natuur te willen belijden. Doch mij gelijk te willen stellen aan den hoogen lof, en hoogdravende vergelijkingen met Virgilen, en Vondelen, zou enkele verwaandheid zijn: terwijl die, aan den anderen kant, luisterrijke Sieraaden zijn in de schoone Gedichten mijner Bekrooneren, welker hooge uitdrukkingen ik, eerbiedig, in zoo verre, op mij durf toepassen, dat ik die groote Mannen van verre zal trachten na te streven. En, dewijl, onder het weigeren, niet zelden trotscher hart verborgen ligt, dan in het openhartig aanneemen, zoo heb ik ook, van mijne waardige Vrienden, deeze hunne geschenken, met liefde en dankzegging, aangenomen, en der waereld mede gedeeld. Ik schenk ze u dan ook, mijne Leezers, met die heuschheid, met welke zij mij geschonken zijn: weigert ze ook hunnen verdienden lof niet.

J. le Francq van Berkhey.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Het verheerlijkt Leyden · J. Francq van Berkhey · Poetry Cove