Tegenzang.
Dat nu Cypris, op myn toonen,
Nederdaele met haer zoonen,
Om dit minältaer te kroonen
Met kamil,
Maegdepalm en violieren.
Houdt de gal der offerdieren
Van de tong der outervieren,
Rein en stil.
Febus ziet van 's hemels kringen
Noit genoegelyker dingen
Dan twee vreedzaeme echtelingen,
Vroom en recht.
O, hoe zal de nyt verzuchten,
Als de 's Gravezantsche luchten
Gunstigh voên de jonge vruchten
Van deez' echt!
Bruidegom en Bruit, hier komen
Heil en Zegen, rasch vernomen.