I. Tegenzang.
Dus teelden ook d' aeloude tyden
De kunst die 's lichaems noothulp strekt,
En met voorzichtigh medelyden
De ziekten zalft en 't leven rekt.
Men ondervondt de kracht der zaden
En kruiden, in het wout gegaêrt.
Dies viel het duister om te raden
Of Godt den menschen, boos van aert,
Meer leets bestelde en zwaerigheden
Of tegenmiddlen. toen de Doot,
Met haere rammelende leden,
Het alles dreigde most ze uit noodt
Voor d' edele Geneeskunst wyken.
Die gaet, dus fier, zoo menigwerf
Met groene zegepalmen stryken
Als schutster van 't gemeen verderf;
Terwyl de hoopelooze kranken
Haer trouwe zorg en vlyt bedanken.