III.
'k Vind nu mijn vermaak in klagen,
'k Schep nu blijdschap in geween,
Dat ik de eerste lentedagen
In uw dienst niet wou besteên.
Maar hebt Gij mij veel vergeven,
'k Hijge om teêr voor U te leven.
'k Wije, in spijt van zonde en hel,
Mij aan U, Immanuël!