II. Pause
10.
ô LEEVEN! oorsaek van het Leeven!
Die U hebt in den dood begeeven,
Op dat G' ons uyt des doodes-nood,
Soud' weederbrengen, en daar neeven
Te niete maaken self den dood!
11.
Ai komt myn' dood eens soo verslinden!
My van myn' banden soo ontbinden!
Op dat ik, als een Lasarus,
My voor uw' Aanschyn moge vinden,
En Uwe voeten dank'lyk kus!
12.
Leer my, ô Leidsman van het leeven,
Altoos aan Uwe syde kleeven;
Op dat ik weder niet en val
In valsche paden, daar beneven;
En sneuv'le met een groot getal!
13.
O! dat Uw Leeven in my blinke!
En 't eigen-leeven in my sinke!
Tot dat het gantsch is weggedaan;
En ik, daar boven, zalig drinke,
Uyt 's LEEVENS volle OCEAAN!
14.
Wanneer sal 't syn! dat ik die kragten,
Waarna Gy myne ziel siet smagten,
Ontfangen sal uyt Uwen schoot?
GY weet myn' innigste gedagten;
Gedenk aan my, soo swak en bloot!
15.
En, wyl G' uw' volk ook hebt verheeven,
Om eens met U volmaakt te leeven,
Hier boven in de heerlykheid;
Soo bid ik, doe my voorwaarts streeven,
Op 't pad, dat tot dit Leeven leid!
16.
Dat Leeven, waar in alle tongen,
Die hier nog maer in swakheid songen,
Voor 't heyl, dat GY hebt aangebragt,
En hunne saak, door U voldongen,
U loven sullen, dag en nagt!