Pause.
8.
Dus, ô myn Ziel! wilt Gy den Heiland soeken,
Vraag 't allereerst naar die verborgen hoeken,
Daar weinig of geen werelds grootheid is,
Of anders loopt gy Syne plaatse mis.
9.
Smeek tot HEM self, dat HY uw herte roere!
En dat syn Geest U selfs naar Beth'lem voere!
Vraag heylbegeerig; waar de Kribbe is,
Daar d'ARMOED' woont: Gy vindt de plaats gewis.
10.
'k Wil seggen; staet dog niet naar hooge dingen,
Maar voeg u self veel eerder tot geringen;
Gaet in den stal van waare need'righeid:
Daar vindt gy HEM, die U naar boven leidt!
11.
O liefste Heiland! die toen laegt omwonden,
In Doek', en Kribb', om onse smett', en sonden;
Ai trek Gy steeds door Uw' verborgen kragt,
Nog veele Zielen uyt de sonden-nagt!
12.
Geef, dat sy eens verlaaten all' die oorden,
Waar in de Aardsche goed'ren hun bekoorden!
En komen, daar Uw' Armoed' is te sien,
Waar in GY laagt, om sondaers hulp te biên!
13.
Voer GY ons self tot dese laage hutten;
Beneem ons alle schadelyke stutten
Van Trotsheid, yd'le Waan, of eigen Werk;
Soo wordt voor ons de Stal de regte Kerk!