II. Pause
13.
Sy nam het door 't geloove aan,
Dus is s' er dan meed' aangedaan,
En sal dat kost'lyk kleed bewaaren;
O wonder! dat een nietig stof,
Gesien wordt, in het Hemel-hof
Sig met dien VORST, en KONING paaren!
14.
Is 't wonder, dat Sy wederlieft?
En 't hert seer innig wordt gegrieft?
Ja van DIE Liefde heilig dronken?
Die heeft haar, uyt een' jammer-poel,
Verheven tot die eere stoel!
Is ooyt wel ietz, soo groot, geschonken?
15.
O wonderbaarste Bruydegom!
Ons herte roept, kom, Heere, kom!
Doet ons Uw Zaligheid aanschouwen;
Gy syt de maker, ende man,
HEER TSEBAOTH die alles kan,
En wil, voor hun, die op U bouwen!
16.
Schiet naar Uw' goedheid meenigmaal,
Een gunstig blik, een liefde-straal,
Op ons, die, voor als nog, beneeden;
Ons vinden als in een' woestyn'!
En maak ons, die wy moeten zyn,
In onse woorden, werken, seeden.
17.
Volend't in ons uw Liefde-werk;
Op dat w' aan 't einde van ons perk,
Onstraff'lyk mogen zyn bevonden;
En, als een Bruyd, die toebereidt,
Haast tot haar' Heere wordt geleidt,
Geraeken tot die saal'ge stonden,
18.
Die dag, waer op men hooren sal
Dat vroolyke, dat schoon' geschal,
Des LAMMES Bruyloft is gekoomen!
Syn Wyf is nu geheel gereed,
En staat in 't suyver witte kleed;
Daar is dan 't Zaalig feest der Vroomen!