Pause.
4.
Hoe arm doch, en hoe swak in staat,
Ons hoopje hier of daar bestaat,
ô JESUS! kom GY in het midden,
Wanneer w' in liefde, hier beneên,
In Uwen Naame syn by een,
En in den geest voor U aanbidden!
5.
Hebt GY iets aan ons hert gedaen,
Wy bidden, vlamm het verder aan;
Op dat ook onse mond, en sprake,
U gantsch'lyk worde toegewydt,
En yder onser in syn' tyd,
Het goede Uwes huyses smake!
6.
Verdoet eens gantsch'lyk uyt ons hert,
Het geene daar nog is verwert,
En voor Uw' Oogen nog niet richtig:
Och wierdt het in ons Licht, en Regt
En (in de heil'ge schaal gelegt)
Bevonden, naar syn maate, wichtig!
7.
Vercier, naar Uw alwys beleid,
Met heilig- en met heerlykheid,
De Woonsteed' onser aller sielen!
O dat daar, voor Uw' Majesteid,
Een Seetel worde toebereidt!
En wy gestadig voor U knielen!
8.
Kom met uw' Geest by ons ter woon!
Plaats by ons Uw' genaden-throon;
Leer ons alomm' Uw' Tempel stichten!
O! dat w' als heil'ge Seraphîn,
Die self', uw' Klaarheid mogen sien,
Voor and'ren weêr konden lichten!