O. Nun. xiiij.
53UW' woord is als een lamp, die voor my gaet,
En mijne voeten leydt; het is een lichten
Lanteer'n, en keers', die op 't padt voor my staet.
Ick hebb' geswooren, en ick sal niet swichten,
Maer sal 't bevestigen, dat ick Uw' recht
Sal houden, Uw' gerechtigheydts gerichten.
54Ick ben gantsch seer verdruckt, ick, Uwen knecht.
Wilt geven wederom aen my mijn leven,
O Heere, na het woordt van U gesegt.
Laet doch een wel-geval, U, Heere, geven
't Vrijwillig offeren van mijne mondt;
Leert my, Heer, in Uw' recht te zijn bedreven.
55Mijn' ziel is in mijn' handt van stondt tot stondt,
Gedueriglicken, Heer, tot allen tijden;
Doch ick vergeet' Uw' Wet niet, die Gy sondt.
De goddeloose, die mijn' ziel' bestrijden,
Die leyden my een strick; nochtans ben ick
Niet afgedwaelt, van Uw' bevel, ter zijden.
56Ick hebbe tot een erf voor eeuwiglick,
Heer, Uw' getuygenis en Wet genomen;
Want sy zijn in mijn hert genoegelick;
Ick hebb' mijn hert geneygt om na te komen,
Om Uw' insettingen, tot aen het endt,
En eeuwiglick te doen, te doen volkomen.