Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

ij. Pause. 11De goddeloose leent, en geeft niet weder: Maer, die rechtveerdig is, ontfermt en geeft, En niet en is' er, dan sijn' gunst, gereeder. Want van all' wat van hem gezegent leeft, Sal 't aerdtrijck erff'lick zijn geheel verkregen. Maer vallen sal 't, al daer hy walg van heeft.

12Aen vromer mannen gang geeft God Sijn zegen, En Hy heeft lust aen 't padt, 't welck die betreedt. En Hy geleydet hem in sijne wegen. Doch als hy tot den val komt, tot sijn leedt,

Soo werdt hy evenwel niet wech-gesmeten, Dewijl' des Heeren handt hem steunsel deed'.

13Oudt ben ick: jonge tijdt hebb' ick versleten. Maer noyt verliet God hem, die Gods-dienst meent; Noyt sag ick oock sijn zaedt zijn sonder eten. Den gantschen dag ontfermt hy sich en leent. Tot zegening zijn sijn' nakomelingen, Godts zegening is aen sijn zaedt verleent.

14Wijckt van het quaed' en doet de goede dingen, En neemt uw' wooning dan in eeuwigheydt. Want God bemint haer, die aen 't recht doen hingen, Soo dat Hy noyt Sijn gunst van haer en scheydt. Hy hoedt haer eeuwiglick; maer 't zaedt der quaden Werdt gantsch'lick uytgeroeyt, en wijdt verspreydt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove