j. Pause.
4Een yeder, die op my sijn' oogen slaet,
Bespot my, en hy doet my alle smaedt;
Steeckt sijne lippen uyt; schudt, als hy gaet,
Sijn' kop ter zijden.
Dan seggen sy; Hy heeft het t'allen tijden
Gewentelt op den Heer. laet die bevrijden,
Hy help', dewijl het Hem lust, uyt het lijden
Sijn' gunst-genoot.
5Gy zijt het immers die uyt moeders schoot
My uyt-getogen hebt, uyt alle noodt;
Die my aen moeders borst behoud'niss' boodt,
En deedt vertrouwen.
Van dien baer-moeder af, den buyck der vrouwen,
Zijt Gy mijn Godt, op wien ick hebb' te bouwen
Gy maeckt, dat ik niet van 't eerst' lichts aenschouwen
In vreese zy.
6Soo weest dan met Uw' hulp' niet verr' van my,
Dewijl' benauwtheydt, Heer, my is na-by.
Want, Heere, niemandt, als ick ben in ly,
Doet helpers dingen.
Veel' Varren quamen my, ô Godt, bespringen;
Veel' stercke Stieren, die van Basan gingen,
Die quamen mijne ziel geheel omringen,
Alwaer ick stondt.
7Sy hebben tegen my haer' wreede mondt
Gespert, gelijck een Leeuw; die, wat hy vondt,
Verscheurend', brullend' heel en al verslondt.
Ick ben besweecken.
Mijn kracht is uyt-gestort, als water-beecken;
All' mijn' gebeente ging de boose breecken;
Mijn hert is in mijn lijf als wasch gebleecken;
't Smolt sonder macht.