Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

Psalm xlv. MYn hert geeft reden op, en goede saecken, En van een Koning ga ick dichten maecken. Mijn' tong' is als een penn' van sulcken man, Die veerdig en die snellick schrijven kan. Gy zijt veel schooner, dan des aerdts-genooten; Uyt uwe lippen is genaê gevloten; Daerom heeft Godt, de Heer', in eeuwigheydt Sijn' zegen over u en heyl geseydt.

2O heldt, gordt aen de heup', hangt aen uw' zijde Uw' scherpe sweerdt, op dat het scherp'lick snijde, In uwe Konings staet en majesteyt, En in de grootheydt van uw' heerlickheydt. En zijt voorspoedig; rijdt in heerlickheden, Op 't woordt der waerheydt en sachtmoedigheden; En uw' gerechtigheydt, uw' rechterhandt,

Sal vreeslickheden doen, door 't gantsche landt.

3Van groote scherpte zijn all' uwe schichten: Het ongehoorsaem' volck sal daer voor swichten. Sy treffen in het hert, door hare kracht, Dien die den Koning niet voor Koning acht. Gy zijt altoos, ô Godt, ten throon verheven; In eeuwigheydt sal die u niet begeven. De scepter, Heere, van uw' Koninckrijck Doet niet dan billick en rechtmatiglijck.

4Gy haet het quaed', en mint gerechtigheden; Daerom heeft u, ô Godt der heerlickheden, Uw' Godt gesalft met vreugt; Hy heft uw' staet Verr' boven yeder een, die met u gaet. Vol Myrrh', en Aloë, zijn uw' gewaden; Vol Cassië, ô Heer, zijn uw' cieraden, Uyt 't Elpen-been Palleys, van waer, ô Godt,

U blijd' maeckt, all' die is uw' met-genot.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove