Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

Pause. 5Want, siet, die U bevechten, Heer, sullen heel vergaen, Verstroyt zijn noch bestaen, Die wercken tegen rechten. Maer Gy sult, Heer, vergrooten Mijn hoorn, als eenhoorns; Gy Hebt my ververscht, en my Met oly overgoten.

6Gy sult my, Heer, verhoogen, En, siet, mijn' ziel' sal sien, En, die mijn'ziel' verspiên, Aenschouwen en beoogen. Mijn' ooren sullen 't hooren, 't Geen boosen aen sal gaen, Die my gaen tegen-staen, Niet doende na behooren.

7Dan sal tot wasdom komen, Die recht is van gemoedt, Gelijck de palm-boom doet, En Libanonsche boomen. Die in het huys des Heeren Zijn in-gelijft, geplant, Die sullen, door Godts handt, In Sijnen hof vermeeren.

8In grijse oude dagen Dan sullen sy noch vrucht Voort-brengen met genucht, En vet en groente dragen. Op dat sy gaen verkonden, Dat Godt is recht; mijn steen, Mijn rotz is Hy; en geen Onrecht in Hem bevonden.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove