viij. Pause.
34Doch Iosephs tent verwierp Hy in Sijn toren,
En Ephraïm heeft Hy niet uytverkoren;
Maer Iuda, welcke stam Hy doe besinde,
Den berg van Zion, die Hy doe beminde;
Hy heeft het heylig' daer Hy woon-plaets houdt,
Als hoogten eens valleys, voor Hem gebouwt.
35Hy doet Sijn' wooning, door Hem uytgelesen,
Soo onbewegelick en seecker wesen,
Als d'aerd', door Hem gegrondt, in eeuwigheden.
En Hy verkoos Sijn knecht, Hy ging besteden,
Aen David 't Koninckrijck, gaf hem sijn staf,
En nam hem van de kop der schapen af.
36Van achter 't soogend' vee, van 't schapen weyden,
Deed' Hy hem komen, om Sijn volck te leyden;
't Volck Iacobs, Israël, Sijn erffenisse;
Oock heeft hy het geweydt, na sijn gewisse,
Na herts-oprechtigheydt. met groot verstandt
Geleydde haer 't beleydt van sijne handt.