Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

ij Pause. 12En, die op mijn ziele micken, Leggen stricken, En de soeckers van mijn quaedt Spreecken veel verderfs, en dencken My te krenken, Dencken listen tot verraedt.

13Als met doove, daer-en-tegen Is 't gelegen

Met my; ick en hoore niet: Als de stomme, die niet konden Uyt haer' monden Spreecken, ben ick om 't verdriet.

14Ick ben, als die met sijn'ooren Niet kan hooren, En als een, uyt welckers mondt Men geen tegen-reden hoorde, Die geen woorde' Wederomme spreecken kond'.

15Want op U, Heer, wil ick bouwen, En betrouwen, En ick hoop' op U alleen. Heere Godt, Gy sult verhooren, En Uw' ooren Neygen gaen tot mijn gebeên

16Want ick sprack; Laet t'geener tijden Hen verblijden, Om my, die my tegen-staen; Als ick soude met mijn' voeten Wanck'len moeten, Quamen sy veel grooter aen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove