Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

Pause. 4Een schuyl-plaets zijt Gy, Heer, voor mijne leden; Door angst behoedt Gy my; voor bangigheden. Met 't vrolicke gesang omringt, verblijdt Gy my, ô Heere, die my hebt bevrijdt. Ick sal, ô menschen kindt, den weg u leeren, Den welcken gy sult gaen; den weg des Heeren.

Gy sult getrouwe raedt uyt my verstaen. Op u sal mijne sorg het ooge slaen.

5Weest niet gelijck een paerdt vol wrevelheden, Of ezel, gantsch ontbloot van alle reden; Wiens muyl' men met 't gebit en toomen maeckt Een breydel, dat hy niet tot u genaeckt. De goddeloose heeft veel smert en plagen, Veel tegenspoets, veel ramps, veel' sware slagen: Maer die op d'Heere sijn vertrouwen leydt, Die sal omcingelt zijn van goedigheydt.

6Verblijdt u in den Heer, ô volck der vromen; Laet van 't rechtveerdig volck vreugt zijn genomen. Singt vrolick, weest verheugt, en weest verblijdt, Gy alle die oprecht van herten zijt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove