Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

S. Tsade. xviij. 69GY zijt rechtveerdig, Heer, en Gy doet wel; Uw' oordeel, Heer, is recht in allen deelen;

Soo dat Uw' mondt geen onrecht vonnis velt'. Gy hebt gerechtigheydt van Uw' beveelen, En Uw' getuygenis waerachtigheydt Seer hoog belast; die moet ons niet verveelen.

70Mijn' yver heeft my doen tot nietigheydt Vergaen, en onder-druckt, nu die my haten, Uw' woorden geven aen vergetenheydt. Gelouterd is Uw' woordt, als goude vaten, Seer suyver is Uw' woordt, en Uwen knecht Die heeft het lief, ô Godt, seer uytter-maten.

71Kleyn ben ick en gering, veracht, en slecht; Doch Uw' getuygenis, Wet, en beveelen, Vergeet ick niet, maer houd' die steedts oprecht. Uw' recht is recht altijdt in allen deelen, In aller eeuwigheydt bestaet Uw' woordt; En waerheydt is Uw' woordt, ô Heer, ten heelen.

72Benauwtheyt, noot, en angst quam my aen boort, En trof my seer; en ging mijn' ziele plagen; Doch uyt Uw' Wet komt mijn' vermaecking voort. Gerechtigheydt, die Uw' beveelen dragen, Is eeuwig: Heere, doet my die verstaen, Soo sal ick leven, na Uw' wel-behagen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove