S. Tsade. xviij.
69GY zijt rechtveerdig, Heer, en Gy doet wel;
Uw' oordeel, Heer, is recht in allen deelen;
Soo dat Uw' mondt geen onrecht vonnis velt'.
Gy hebt gerechtigheydt van Uw' beveelen,
En Uw' getuygenis waerachtigheydt
Seer hoog belast; die moet ons niet verveelen.
70Mijn' yver heeft my doen tot nietigheydt
Vergaen, en onder-druckt, nu die my haten,
Uw' woorden geven aen vergetenheydt.
Gelouterd is Uw' woordt, als goude vaten,
Seer suyver is Uw' woordt, en Uwen knecht
Die heeft het lief, ô Godt, seer uytter-maten.
71Kleyn ben ick en gering, veracht, en slecht;
Doch Uw' getuygenis, Wet, en beveelen,
Vergeet ick niet, maer houd' die steedts oprecht.
Uw' recht is recht altijdt in allen deelen,
In aller eeuwigheydt bestaet Uw' woordt;
En waerheydt is Uw' woordt, ô Heer, ten heelen.
72Benauwtheyt, noot, en angst quam my aen boort,
En trof my seer; en ging mijn' ziele plagen;
Doch uyt Uw' Wet komt mijn' vermaecking voort.
Gerechtigheydt, die Uw' beveelen dragen,
Is eeuwig: Heere, doet my die verstaen,
Soo sal ick leven, na Uw' wel-behagen.