B. Beth. ij.
5HOe sal een jongeling sijn padt in eer,
Reyn, suyver, houden? Als, na Uw' bevelen,
Hy dat ten rechten houdt, na Uwe leer?
Ick soeck' met al mijn hert, met mijn geheelen
Gemoede na U, Heer; en laet my niet
Af-dwaelen van Uw' Wet, in geene delen.
6De reden, die U uyt den monde vliet,
Verborg ick in mijn hert, op dat'er tegen
Uw' woordt geen sondigen van my geschiedt.
Gepresen zijt Gy, Heer, Gy zijt vol zegen;
Leert my Uw' Keuren, Heer, en Uwe Wet;
Leert Uw' insettingen my doch ter degen.
7Met mijne lippen heb ick, Heer, gelet,
Om te vertellen, en om te verkonden,
De rechten, die Uw' mondt ons heeft geset.
Ick heb meer vrolickheydts, meer vreugts gevonden
In Uwen weg van Uw' getuygenis,
Als alle rijckdommen my geven konden.
8Ick sal, ô Heer, in mijn' gedachtenis
Bedencken Uw' bevel; in alle saecken,
Gaen letten op het padt, 't welck Uw' padt is.
Ick zal mijn selven in Uw' Wet vermaecken,
In Uw' insettingen, ô Heer, Uw' woordt
En sal by my niet in 't vergeten raecken.