Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

ij. Pause. 12Opent uwen mondt, En door Mijn' genaden Sal Ick hem terstondt, Tot Mijns Namen prijs, Met gewenschte spijs Vullen en versaden.

13Maer Mijn volck en heeft My niet willen hooren. 't Heeft My weêr-gestreeft, Ende Israël

Wilde niet soo wel, Als 't wel soud' behooren.

14Dies hebb' Ick haer all' Willen over-geven In haer wel-geval; Op dat yeder gaet Na sijns herten raedt, Na sijn drift mach leven.

15Och! had 't volck 't bevel Van My willen hooren! Och! had Israël Doch de weg en wet, Die Ick had geset, Wandelend' verkooren!

16'k Hadd' in korten tijdt, Alle haer' bestrijders

Dempend', haer bevrijdt. 'k Hadd' Mijn' rechter-handt, Straf, en plaeg gekant Tegen haer' partijders.

17Daer van Godt gehaet Is geweest, die souden Met geveynst gelaet Neêr-geknielt zijn, maer Eeuwiglick had haer Tijdt 't geluck behouden.

18Tarw in overvloedt Had Ick haer gegeven; Ick had haer gevoedt, Ia had haer versaedt, Met de honich-raet, Uyt de rotz gedreven.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove