Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

K. Iod. X. 37UW' handen hebben my gemaeckt, bereydt. Maeckt my verstandig om Uw' Wet te leeren, En Uw' geboden, die Gy hebt geseydt, Al die Uvreest, sal sich tot mijn-waerts keeren, En zijn verblijdt, om dat ick hebb' gewacht, Gehoopt hebb' op Uw' woordt, ô Heer der heeren.

38Ick weet dat Uw' gericht, ô Heer, betracht Niet dan gerechtigheydt; dat Gy uyt trouwe My hebt verdruckt, en in 't verdriet gebracht. Geeft, dat ick op Uw' gunst en goedtheydt bouwe, Als op een vasten troost, na 't geen Uw' knecht,

Is toegesegt; wilt dat my niet onthouwe.

39Laet Uw' barmhertigheên zijn aengelegt, En komen over my; soo sal ick leven; Want all' mijn' lust is in Uw' Wet en Recht. Laet trotse mannen zijn tot schaemt gedreven, Die my neêr-stieten met haer logen; maer, Heer, ick betracht 't gebodt, van U gegeven.

40Laet, die U vreesen, Heer, haer al te gaer By my vervoegen, en tot my haer keeren, Die Uw' getuygeniss' is openbaer. Tot Uw' insettingen en Uwe leeren. Laet daer toe zijn mijn hert geheel oprecht; Op dat ick niet beschaemt zy vol on-eeren.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove