Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

Q. Ajin. Xvj. 61GErechtigheydt, en 't geen recht is geweest, Hebb' ick gedaen, ô Heer; wilt my niet geven, Aen die, als Hy my druckt, sich roemt op 't meest. Weest borge voor Uw' knecht ten goeden leven.

Laet my niet zijn verdruckt van 't trotse hert, Noch met my zijn daer van de spot gedreven.

62Mijn oog beswijckt, door mijn verlang met smert; Door 't wachten na het heyl van Uw' belooven, Daer Uw' gerechtigheydt in kenbaer werdt. Doet na Uw' goedigheydt, noyt vol te loven, By Uwen knecht, ô Heer, leert my Uw' Wet; Wilt Uw' insettingen my niet ontrooven.

63Ick ben Uw' knecht, Heer; maeckt, na mijn gebed, In my een goedt verstandt; 'k sal Uw' begeeren Dan kennen, en 't geen' Gy hebt ingeset. Het is des Heeren tijdt, de tijdt des Heeren, Dat Hy Sijn' krachten werckt; dewijl sy, Heer, Verbraecken Uwe Wet, en die onteeren.

64Daerom beminn' ick Uw' geboden seer; Meer dan het goudt kan my Uw' Wet verblijden,

Ia meer dat 't fijnste goudt, ja, Heere, meer. Daerom hebb' ick Uw' Wet van allen tijden En Uw' bevel van all's voor recht geacht; Maer van all' 't valsche padt weeck ick ter zijden.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove