Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

ij. Pause. 13Dewijl gy zijt vol goedigheden, Verlost my uyt ellendigheden, 'k Ben in ellend' in noodt, in smerten, Door-wondt in 't binnenste des herten.

Ick gae, gelijck een schaduw' heen, Wanneer s'haer neygt, en haest verdween.

14'k Word uyt-geschuddet, ick moet sweven; 'k Word als een sprinck-haen omgedreven; Mijn knïen struyck'len, sonder krachten, Van vasten dagen lang, en nachten; Mijn vleesch is mager en vergaen, En gansch geen vet en is daer aen.

15Noch ben ick hen tot allen tijden Een spot een smaedt in all' mijn lijden. Als sy my in 't gesicht vernamen, So schuddeden sy 't hooft te samen. Helpt, Heer, my uyt d'ellendigheydt; Verlost my, na uw' goedigheydt.

16Op dat van haer mag zijn vernomen; Dat dit is van Uw' handt gekomen;

Dat Gy dit werck, mijn Godt, mijn Heere, Gedaen hebt; my herstelt in eere. Laet haer vry vloecken tegen my, Maer, Heer, verlost en zegent Gy.

17Laet haer vry tegen my sich stellen; Maer wilt met schaemt' haer neder-vellen; Doch wilt Uw' knecht met vreugd' verhoogen. Laet mijn' party zijn aengetogen Met schand'; dat haer beschaemtheyt deck', En als een mantel haer verstreck'.

18Mijn' mondt sal d' Heer veel lofs bewijsen; 'k Sal hem in 't veeler midden prijsen: Want hy sal die in noodtdruft leven, Ter rechter-handt staen, noch begeven, Tot zijn' verlossing van die zijn' Ziels-richters en veroord'laers zijn.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove