Skip to content
1656

Davids psalmen

Henrick Bruno

Pause. 8't Is wonderlick 't werck dat Gy deedt Het welck' mijn' ziel' oock seer wel weet.

Heer, mijn gebeente was doe niet Voor U, die alle dingen siet, Verhoolen, als mijn lichaems leden Gemaeckt zijn in verborgenheden.

9Als ick wierdt geborduert, vergaert In neder-deelen van der aerd. Uw' oogen sagen my doe aen, Doe ick een klomp was, ongedaen; Haer' vorm-tijdt had Uw' boeck beschreven, Doe geen was, noch ick in het leven.

10Daerom, hoe kostelick zijn my, Heer, Uw' gedachten; hoe zijn sy Groot ende veel is haer getal; Soud' ickse tellen, heel en all'? Van haer is meerder, dan de zanden Van alle d'Oceaensche stranden.

11Ick ben by U, als ick ontwaeck', En neem' in all' Uw' werck vermaeck. O Godt, of 't waer, dat Gy 't geslacht Der goddeloosen omme-bracht! En gy, die op my aen gingt spannen, Wijckt van my, gy bloedt-hondtsche mannen.

12Die van U spreecken schandt en smaedt, Daer van Uw' vyandsch' volck tot staet Seer ydelick verheven werdt, Soud' ick Uw' haters' met mijn' hert, Niet haten? en verdrietig wesen, Om die zijn tegen U geresen?

13Ick haetse met volkomen' haet, Dat boose goddeloose zaedt Is my tot vyandt t'allen stondt; Door-grondt, en kent mijn's herten grondt,

Wilt my wel nauw en wel ter degen Beproeven in all' mijne wegen.

14Uw' oog zy na mijn' hert gewendt, Op dat Gy mijn' gedachten kent, En siet, ô Heer, of oock by my Een schadelicke wandel zy, En wilt my leyden, om te treden Op Uwen weg der eeuwigheden.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Henrick Bruno · Poetry Cove