Pause
4Ick sal verhaling doen van d'eeuwigheydt;
Van Godts besluyt, het welck' Hy my liet hooren.
De Heere Heere heeft tot my geseydt;
Gy zijt Mijn Soon, van daeg uyt My geboren.
Begeert van My, al wat gy kunt begeeren,
Ick sal de Heydenen u in uw' handt
Tot erfdeel geven, en gy sult regeeren,
Alomme, door de palen van het landt.
5Gy sult haer, die u derven tegen-staen,
Verpletteren; gy sult die t'samen rotten,
Met eenen ys'ren staf aen stucken slaen,
Gelijckerwijs als potte-backers potten.
Wel aen dan, gy die sit op Konings throonen,
Gy Vorsten, doet en handelt met verstandt,
En laet u tuchtigen, en gaet u toonen
Gebuygsaem, ȏ gy Richters van het landt.
6Dient gantsch oprechtelich uw' Godt en Heer.
Ontsiet Hem als een kindt, uw' gantsche leven,
En vliedt Sijn toorn, en doet Hem alle eer;
En weest verblijdt, met vreesen en met beven.
Kust, eert Sijn Soon, Sijn eeuwig Uytverkoorne,
Sijn eeuwig Soon; neemt die van herten aen
Door uwen Heylandt, eer Hy op u toorne,
Eer gy op uwen weg komt te vergaen.
7Want Sijne grimmigheydt sal haest tot spijt,
En tot verderf van Sijn' verachters branden.
Wel-salig zijn sy, die op Hem altijdt
Betrouwen, en sich geven in Sijn' handen.